*

 

Couperus zonder kopje thee

Hanny Alkema − 01/03/08, 00:00

Vier zestigers staan veertig jaar na hun toneelklas weer samen op het toneel.

’Het is alsof je een cadeautje krijgt, maar dit plan was er lang voordat het thema van de boekenweek bekend werd”, zegt bewerker/regisseur Ger Thijs. Dat thema ’ouderdom’ is geïnspireerd op Louis Couperus’ roman ’Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan’ uit 1906 en valt mooi samen met zijn toneeladaptatie: „Op de persconferentie onlangs hebben de spelers een stukje voorgelezen.”

Het is de tweede keer dat Ger Thijs (1948) de roman op toneel zet. Zoiets, in dit geval achtenhalf jaar na de omvangrijke eerste versie, destijds bij de heropening van de Haagse Koninklijke Schouwburg, is vrij ongebruikelijk.

„Na ’Kleine Zielen’ in 1993”, zegt Thijs, „wilde ik ook graag ’Oude Mensen’ doen, alleen niet zelf schrijven. Gaandeweg echter kreeg ik er al meer omlijnde ideeën over. Dat het heel erg gestileerd moest worden, stond voor mij vast. Couperus vertellen zonder kopje thee. Maar ik wilde liefst nog verder gaan in het abstraheren.”

„Inmiddels was Willem Jan Otten al te ver met zijn bewerking en het stuk al gecast. Het is wel een mooie voorstelling geworden, maar in feite was die bewerking vooral een poging om het hele boek in één huis onder te brengen, met als gevolg dat je eigenlijk de hele avond met een exposé bezig was. Daarom, als ik de kans krijg doe ik het nog een keer, dacht ik. Al is het nu weer heel anders geworden dan ik toen had bedacht.”

„Toen mijn moeder stierf, heb ik de hele avond met mijn broer en vader in dat kamertje zitten wachten. Die situatie werd het uitgangspunt. Eenheid van plaats had het de eerste keer al. Eenheid van tijd kreeg het zodoende ook. Belangrijkste ingreep is de keuze om de oude mevrouw Dercksz, de mater familias, weg te laten. Zij ligt stervend, maar ongezien, boven.”

Wel geeft Thijs het familiegeheim, de kern van het boek, een gezicht: meneer Takma, mevrouws oude minnaar en huisvriend – samen vermoordden zij zestig jaar geleden haar man – loopt er wel rond. Aldus staan er nog steeds vier generaties op toneel. Wat de acteurs haast vanzelf met leeftijdsverschillen moet confronteren.

„Het leuke van zo’n groot ensemble”, zegt Marjon Brandsma (1943), „is dat je al heel snel niets meer merkt van die verschillende generaties. Behalve laatst. Vanwege een leitje met onze namen bij de vrouwenkleedkamer gingen we eens rekenen en realiseerden ons dat we twee zestigers (Els Ingeborg Smits en ik), één veertiger (Oda Spelbos) en één twintiger (Maud Dolsma) waren.”

Wim van den Heuvel (1928) is de enige die ook in de vorige versie heeft gestaan. Toen speelde hij de 70-jarige Daan, nu de 93-jarige Takma. In krap negen jaar als personage dus ruim twintig jaar ouder geworden. Hij zit er niet mee: „Kijk, zulke dingen moet je niet realistisch opvatten. Als het maar de geur van ouderdom heeft. Als je een 93-jarige levensecht zou neerzetten, zou hij onverstaanbaar zijn.”

Anders dan de acteurs heeft de 60-jarige Ottilie, nakomertje in de familie Dercksz, echt problemen met het ouder worden. Vertolkster Els Ingeborg Smits (1944): „Ik ben ook ijdel, verf mijn haar en probeer niet dik te worden, maar hoop wel dat ik er iets volwassener mee omga. Zij is ’deep down’ een kind gebleven, dat alleen leeft voor liefde en aandacht. Vrij kinderachtig, maar ik ken het type van dichtbij, een oma en een tante met van die kinderlijk zonnige stemmetjes. Zulke voorbeelden helpen bij het spelen.”

Voor Cas Enklaar (1943) gingen toneel- en eigen situatie naadloos in elkaar over: „Mijn moeder – en kort daarna een zwager – is pas overleden. Dan kost het niet veel moeite om de moede oude zoon die ik moet zijn, te spelen.”

„De spelers”, zegt Thijs, „waren al benaderd vóór het schrijven. Je voelt dat acteurs en personages in elkaar zijn gaan passen. Ik had meteen negen spelers in het hoofd. Om de kosten te dekken moesten er twee stagiaires zijn. Kon niet, vond ik. Het werd er één, op voorwaarde dat ik zelf het decor bedacht. Zo gaat dat bij vrije producenten. Overigens, dat er vier voormalige klasgenoten van de toneelschool in zitten is toeval.”

Maar een leuk toeval, vinden die vier zestigers, de drie genoemden en Joost Prinsen (1942).

„Het is heel eigenaardig”, zegt Brandsma, „net alsof je weer bij elkaar op school zit. Je hoort anderen exact dezelfde opmerkingen als destijds maken.”

Cas Enklaar: „Ik heb Joost al die veertig jaar niet meer meegemaakt, maar als wij een scène samen op dat trapje hebben, is het weer heel erg Joost en Cas.”

Smits betreurt het alleen dat zij geen enkele scène met hen heeft: „Ik heb Ger gevraagd: waarom kunnen we niet één keer samen op de trap zitten?”

Ingenomen zijn de spelers ook met de goeddeels gehandhaafde Couperus-taal, al maakt dat soms, stelt Brandsma, zinnen best lastig om te zeggen: ’En als jullie toch naar het zuiden gingen, waarom niet langsgekomen in Parijs?’ Cas Enklaar heeft ongelezen ’ja’ op Couperus gezegd. „Kibbelen doen we alleen over of je ’mamma’ of ’mama’, op z’n Frans, zegt.”

„Hoe ingrijpender de bewerking”, is Thijs’ ervaring, „hoe meer en beter je Couperus’ tekst kan inpassen in de vorm. Als je te trouw blijft aan het origineel, is dat verraad. Dan krijg je te snel ’Schmalz’, overdrijving en vals sentiment. Als je de kern van het boek en jouw liefde ervoor weet te pakken, wordt het een hommage. Met het voordeel dat je als bewerker zo ver durft te gaan, dat het als het ware een eigen stuk wordt. Een stuk onder de schuilnaam Couperus.”

„Omdat ik veel personages heb geschrapt, kreeg ik de vrijheid om eigenschappen van mensen samen te voegen. Zo heeft Daan de viezigheid van oom Anton erbij gekregen.”

„Compacter en spannender”, noemt Van den Heuvel Thijs’ bewerking: „Daan heeft een totaal andere kleur gekregen. Ik kwam bij het Nationale Toneel op met een hele lieve Indische echtgenote, de Daan van Joost is meer een rauwdouwer geworden. Nee, verlangen hem ook eens zo te kunnen spelen, is niet in mij opgekomen. Wat voorbij is, is voorbij.”

mailIcon print |