*

 

Koken op het motorblok

Jeroen Thijssen − 01/03/08, 00:00

Aan de zijkant van de motor zitten plekjes waarop kipfilet goed gaar wordt. Een kwestie van uitproberen.

De zomer komt en de motorkap zal weer vaker op het zuiden gericht staan. Wat zullen we eens eten bij aankomst? Een goed adres is niet zomaar gevonden en eten langs de weg is zelfs in het verre buitenland van ondermaatse kwaliteit.

Gelukkig is er een oplossing voor dit probleem. Op het journaal van een commerciƫle zender zag ik twee gekke Belgen die kookten op hun motorblok. Geniaal idee natuurlijk, en wat een besparing van energie!

Maar hoe werkt het precies? Wat moet je koken en waar moet je het plaatsen? De twee Belgen pakten lapjes gerookte zalm in aluminiumfolie voor het rijden. Daar is geen kunst aan: gerookte zalm is al gaar.

Ik probeer het eens met kipfilet en biefstuk, beiden in stukjes gesneden. Velletje aluminiumfolie insmeren met olie, reepjes biefstuk met champignons, zout en wat knoflook erop, dicht. Bij de kip gaat alleen wat ui en zout.

Nu het koken nog. Buiten wacht het fornuis, dertienhonderd kilo staal en rubber met ook nog een motor. Die zit onder de kap. Ik kijk daar wel eens, en doe dan snel de klep weer dicht. Maar zo moeilijk kan het toch niet zijn? Bovenop, bijvoorbeeld, zit een hand-achtig vormsel aan het motorblok. Tussen de vingers is plaats voor de glimmende aluminium pakjes, zodat ze niet wegglijden en hun bestaan als echt road meat eindigen.

Grommend start de motor: ik ben rijdende. Ver gaat het niet, voor zo’n eerste experiment, vijftien kilometer tot het dichtstbijzijnde natuurgebied. Al na vijf minuten ruik ik bakkende uien.

Maar – teleurstelling! Het eten is nog lang niet klaar. Zowel kip als bief hebben een temperatuur gekregen die geschikt is voor bacteriegroei – handwarm. De terugreis brengt geen haar verbetering. Hoeveel duizend kilometer moet ik rijden voor een maaltje? Dit is een mislukking.

Eenmaal thuis slaat toch weer de twijfel toe. Heb ik wel het goede onderdeel van de motor gebruikt?

De volgende dag moet ik naar Zwolle, in andere tijden een traject voor de trein, maar nu heb ik een missie. Na lange studie van de motor heb ik toch, aan de zijkant, verborgen plekjes ontdekt die meer beloven dan lauwe kip. Nieuwe porties vlees en gevogelte – de eerdere durf ik niet meer te gebruiken – moeten het bewijzen: motorkoken kan. Ter vergelijking mogen twee plekjes bovenop, tussen de vingers van de hand, ook meedoen. De motor start, het staal trilt, de snelweg wacht: I’m a rambling man.

Al na tien kilometer dringt de geur van gebakken uien de cabine binnen. Jaja, dat dacht ik gisteren ook. Maar na twintig kilometer begint de lucht toch wel echt duidelijk te worden. Bij het eerste tankstation gaat de kap open en jawel: het zijn de pakjes op de nieuwe plekken. Loeiheet zijn ze, en dat werpt een nieuw probleem op: hoe krijg je die eruit, met blote vingers? Met aandacht en geduld, blijkt na een paar minuten proberen. De andere pakjes, die tussen de vingers, zijn nog steeds niet meer dan lauw. Ook na tweehonderd kilometer is de kip nog rauw en heeft de biefstuk pas een heel vaag kleurtje. Kennelijk is motorkoken een kwestie van het juiste plekje op de machine kiezen, want duizend kilometer zou van biefstuk en kip, recht op het motorblok, weer een soort leer hebben gemaakt. Een kwestie van uitproberen dus.

En, voegt het nog iets toe, behalve het idee? Nou, de biefstuk is niet bijzonderder dan anders, maar de kip wel: de hitte van de motor heeft een smakelijk schroeiluchtje gegeven aan de filet die anders weinig smaak zou hebben gehad. Gelukkig brengen de Belgen binnenkort een kookboek uit, en kan ik het daaruit verder leren.

mailIcon print |