*

 

Een glimp van het leven in Iran

Richard van Leeuwen − 09/02/08, 02:27

In islamistische landen zoals Iran, waar de fatwa tegen Rushdie begon, wordt literatuur gezien als westers product. Schrijvers hebben het er moeilijk. Zo leert het voorbeeld van Golshiri, die onder de sjah én onder Khomeini werd geïntimideerd.

Hushang Golshiri: Prins Ehtedjâb en andere Iraanse verhalen. Bulaaq, Amsterdam. ISBN 9789054601296; 255 blz. euro 19,50

In veel islamitische landen bestaat een ongemakkelijke verhouding tussen religie en literatuur. Dat komt vooral doordat de moderne literatuur, die zich in de verschillende talen ontwikkelde vanaf de negentiende eeuw, wordt gezien als een symptoom van westerse culturele hegemonie. Het waren vooral seculier georiënteerde intellectuelen die zich op literaire vernieuwing richtten en zich daarbij door westerse voorbeelden lieten inspireren.

Voor strenge gelovigen is de moderne literatuur dan ook doordrongen van een westers, areligieus wereldbeeld, dat zich niet laat verzoenen met de eigen godsdienstige traditie. Schrijvers worden gezien als paladijnen van het westerse secularisme en een bedreiging voor de traditionele islamitische waarden.

In veel islamitische landen woedt een heftige strijd om de hegemonie in het culturele veld, met als inzet het behoud van de culturele oriëntatie van het land, hetzij openstelling voor westerse culturele invloeden, hetzij een heroriëntatie op het eigen erfgoed.

Het dieptepunt van de wrijving tussen literatuur en de islam was de fatwa die de Iraanse leider Khomeini in 1989 uitvaardigde tegen Salman Rushdie’s roman ’De duivelsverzen’, omdat daarin passages voorkwamen die beledigend zouden zijn voor de profeet en een verkeerde voorstelling zouden geven van de begintijd van de islam. De geestelijke leider toonde zich niet gevoelig voor het argument van westerse intellectuelen dat het hier fictie betrof en niet een historische reconstructie, terwijl de gewraakte episoden zich bovendien afspeelden in een droom. Dit soort subtiliteiten zijn natuurlijk niet besteed aan geleerden die hun geloof baseren op een letterlijke interpretatie van hun geopenbaarde tekst.

Hier kwamen twee wereldbeelden tegenover elkaar te staan die elkaar leken uit te sluiten: een sceptisch postmodernisme tegenover geloof in een onwrikbare, unieke Waarheid. Het probleem was dat Rushdie, zowel in zijn persoon als in zijn boek, deze beide werelden in elkaar liet overlopen.

De Rushdie-affaire was natuurlijk niet alleen maar een botsing tussen religie en literatuur, maar ook de manifestatie van een politieke strijd, waarin Khomeini het leiderschap van de islamitische wereld tegenover het seculiere Westen trachtte te veroveren. Ook binnen Iran is de politieke dimensie van belang, want uiteindelijk gaat de strijd om politieke macht en de inrichting van de samenleving. Een moderne literatuur die een kritische, onafhankelijke rol voor zichzelf opeist vormt natuurlijk geen bondgenoot voor een regime dat op traditionele religieuze waarheden is gefundeerd.

Hoe moeilijk de positie van schrijvers in Iran al lange tijd is, wordt duidelijk door de levensloop van Hushang Golshiri, die in 2000 overleed en die tijdens zijn leven meermalen in botsing kwam met zowel het bewind van de sjah als met het islamitische regime na de revolutie van 1979.

Onder de sjah was Golshiri enige tijd actief in de communistische partij en vanaf 1968 in de Iraanse schrijversbond, waardoor hij enkele malen in de gevangenis terechtkwam. Ook na de revolutie bleef hij strijden voor de vrijheid van meningsuiting en onderging hij de intimidaties van het nieuwe islamitische regime.

Het is dan ook geen wonder dat Golshiri’s werk de sporen draagt van de turbulente politieke omstandigheden waarin het is ontstaan. In de bundel ’Prins Ehtedjâb en andere Iraanse verhalen’ wordt een selectie gepresenteerd uit zijn verhalen, naast de novelle waaraan de titel is ontleend. De verhalen worden beheerst door een duistere, soms wrange atmosfeer en zijn doortrokken van machtswillekeur, geweld en de pogingen van gewone, vaak eenzame mensen om in de moeilijke omstandigheden een waardig bestaan op te bouwen. Voetballende jongens die een ontbindend lijk vinden, een verspieder van de overheid die langzaam desintegreert in de confrontatie met het slachtoffer dat hij moet observeren, invaliden, zieken en rouwenden die op zoek zijn naar de zin van hun leven, het zijn allemaal figuren die een antwoord proberen te vinden op het teloorgaan van idealen en de pijlers van hun bestaan, of misschien zelfs naar nieuwe illusies die het leven draaglijk maken.

Een van de mooiste verhalen is ‘Het overwinningslied van de magiërs’, waarin wordt beschreven hoe de uitbater van een drinkgelegenheid ten onder gaat in de politieke verwikkelingen en de nieuwe religieuze orde. Hij is een van de helden van het verzet tegen de sjah, zonder dat hij een aanhanger is van de islamitische revolutionairen. Uiteindelijk wordt hij het slachtoffer van de omwenteling die hij zelf mede heeft teweeggebracht, omdat hij ook onder het nieuwe regime alcohol wil blijven verkopen. In de loop van het verhaal groeit de drank uit tot het symbool van de vrijheid, van een roes die diepgeworteld is in de Perzische cultuur.

Het intrigerendste is de merkwaardige novelle ‘Prins Ehtedjâb’, over de ziekelijke nazaten van de oude Perzische adel, die in de moderne tijd ten onder gaat. De lezer krijgt beelden uit het verleden van de familie, die haar landgoed met harde hand bestuurde, en van de geleidelijke neergang en ontbinding, gepersonifieerd door de figuur van Prins Ehtedjâb en zijn tuberculeuze echtgenote. Het verhaal geeft een beklemmend gevoel van verval, maar toont tegelijkertijd hoe diep de sociale structuur van het huidige Iran wortelt in het feodale verleden en de oude tradities.

De verhalen van Golshiri geven een complex en zeker geen optimistisch beeld van de Iraanse samenleving. De figuren worden zo dicht op de huid gevolgd dat de lezer zich soms een voyeur voelt, terwijl het beeld dat hij krijgt steeds gefragmenteerd blijft en nooit een sluitend geheel vormt. Maar ook veel van de personages zijn observeerders, alsof ook zij geïntrigeerd zijn door elke glimp van de levens van anderen die zij aan de sfeer van geslotenheid kunnen ontfutselen.

mailIcon print |