*

 

De film wordt beter dan het boek

Bas Belleman − 09/02/08, 02:27

’Filmisch’ zijn de romans van Kees van Beijnum vaak genoemd. Dat is ook ’Paradiso’. Maar een roman vraagt meer dan indringende beelden: ideeën bijvoorbeeld.

Kees van Beijnum: Paradiso. De Bezige Bij, Amsterdam. ISBN 9789023426582; 292 blz. euro 18,90

Drie van zijn romans werden verfilmd: ’Dichter op de Zeedijk’, ’De ordening’ en ’De oesters van Nam Kee’. Wie een nieuw verhaal van Kees van Beijnum leest, vraagt zich onwillekeurig af hoe de scènes eruit zouden zien op het witte doek. Zal het boek beter zijn dan de film?

’Paradiso’ heet de nieuwe Van Beijnum, vernoemd naar de gelijknamige poptempel in Amsterdam. En naar het paradijs, natuurlijk. Het boek gaat over gelukswetenschapper Mart, die met vragenlijsten en rekenmachine onderzoekt waar mensen gelukkig van worden. Maar het ligt voor de hand: cijfers en grafieken bieden Mart geen houvast in de zoektocht naar zijn eigen geluk.

In zulke klare lijnen is het hele boek getekend. Mart rijdt naar huis na een nacht bij zijn maîtresse (die hij in Paradiso heeft ontmoet) en is van plan zijn vrouw Dana te vertellen dat hij wil scheiden. Alleen heeft een dijkdoorbraak het halve dorp onder water gezet en is Dana geëvacueerd. Mart zoekt haar in de sporthal en het bowlingcentrum waar de dorpelingen samendrommen. Nergens duikt ze op. Dana blijft dagenlang weg. Dit zet zijn beslissing en zijn gezinsleven in een ander daglicht. Hij wil zijn vrouw terugvinden om haar nooit meer te verlaten.

De zoektocht voert onder meer langs een psychoanalyticus, een vagebond in een busje en een zweverig medium. Zulke personages en hun locaties maken het verhaal nogal filmisch en bij vlagen wordt het zelfs spookachtig. Je ziet de acteurs en de decors al voor je.

Het boek drijft op indringende beelden, en niet zozeer op indringende ideeën of scherpe inzichten. Mart beschikt nauwelijks over zelfinzicht. „Hij zocht naar een simpele gedachte over zichzelf, er was geen doorkomen aan”, staat er ergens en dat slaat de spijker op de kop.

Zo vraagt hij zich niet af waarom hij een buitenechtelijke verhouding is begonnen. Ja, hij wordt vrolijk van zijn vriendin Karin en zou graag samen onbekommerd door de stad lopen. Je ziet het plaatje voor je. Maar wat er nu precies misging in zijn huwelijk? „Ik begrijp het zelf ook niet goed”, zegt hij tegen zijn puberdochter, die hem slap noemt.

Ook als Mart het uitmaakt met zijn vriendin blijven zijn motieven in nevelen gehuld. Ze beginnen te vrijen in de buitenlucht, achter een gemaal, hij draait haar hardhandig om en neemt haar liefdeloos van achteren. Juridisch is het geen verkrachting, maar moreel wel. En geen seconde vraagt Mart zich af wat voor man hij eigenlijk is dat hij plotseling de vrouw seksueel vernedert die hij een dag eerder nog liefhad. Hij bedenkt alleen dat hij ’een beetje bang’ was ’voor haar macht over hem’.

Maar de roman draait om Marts herwaardering van zijn huwelijk, zijn schuldgevoel en de liefde voor zijn vrouw en dochter. Iets abstracter: om de zoektocht naar het geluk en naar innerlijke rust. Dan verwacht je toch pregnantere gedachten en geestrijkere typeringen. Een beetje zelfspot zou de hoofdpersoon ook geen kwaad doen.

Misschien heeft Van Beijnum te veel verwacht van Marts verwarring na de verdwijning van Dana. Misschien hoopte hij dat de lezer zich daarin zou verliezen en dan van scène naar scène mee zou dobberen. Dat zou ook verklaren waarom hij de lezer geregeld in onzekerheid laat, zelfs wanneer dat niets toevoegt aan het verhaal. Dan begint hij bijvoorbeeld een hoofdstuk met een zin als „Snikkend viel ze hem in de armen” en dan weet je niet om wie het gaat: dochter, vriendin, buurvrouw? Pas zes regels verderop lees je dat het de huishoudster, mevrouw Van Vliet, betreft, ’een begrip in de familie’.

In een film kun je zulke ergerlijke trucjes minder eenvoudig uithalen. Zo belanden we in de vreemde situatie dat de film beter is dan het boek, ook al is hij nog niet eens gemaakt. In de film verdwijnen de zwakke punten van een boek als dit naar de achtergrond, terwijl de sterke naar voren komen. De scène waarin Mart met de minnaar van zijn vrouw – want die had ze – een terras betegelt, ziet er eigenlijk onweerstaanbaar melancholiek en liefdevol uit. Maar van binnenuit beschreven lijkt Mart vooral een sukkel die de juiste woorden niet kan vinden. Als de minnaar hem een eenvoudige uitleg weigert, staat er: „Zijn hart stokte. Hij was sprakeloos.”

mailIcon print |