Anna Boom reisde in de oorlog naar Boedapest, ging bij het verzet, ontsnapte, verloofde zich, trouwde met een ander, en daarna met een derde. Een fascinerend bestaan, maar Koelemeijers literaire insteek werkt hier niet.
Judith Koelemeijer: Anna Boom. Atlas, Amsterdam/Antwerpen. ISBN 9789058073211; 240 blz. euro 24,95. Paperback euro 19,95
Tweeënveertig was Annie Boom-Osieck, dochter van een rijke Nederlandse zakenman, toen ze last kreeg van misselijkheid en een opgezette buik. Ze bezocht een arts, die een gezwel vermoedde. Hij vermoedde verkeerd. Op 24 juni 1920 beviel Annie van een dochter, die zij en haar man Willem Anna noemden. Een paar maanden later stierf Willem. Annie pakte haar koffers en vertrok met haar dochtertje naar Zuid-Europa, en vandaar naar Wenen en Boedapest. Dat was het begin van een wonderbaarlijk leven, dat een al even wonderbaarlijke start had gehad.
In 1942 keerden Annie en Anna naar Nederland terug. Maar dochter Anna, die hier niet kon aarden, reisde na korte tijd per trein naar Boedapest terug. Daar kwam ze terecht in een groep rond Raoul Wallenberg, die talloze Joden uit de handen van de Duitsers wist te houden. Ze werd een paar keer gearresteerd, en ontsnapte door vernuft, tact en toeval minstens twee keer aan de dood. Ze was getuige van de gruwelijkste gebeurtenissen.
Na de oorlog verloofde ze zich met een Franse diplomaat, maar ze trouwde met een Zwitser. Van geen van tweeën hield ze. Ze leek gedoemd een leven als gefrustreerde Zwitserse huisvrouw te slijten, tot ze in Wenen een Nederlander tegenkwam op wie ze werkelijk verliefd werd – en hij op haar. Anna scheidde van haar Zwitser, en trouwde met de Nederlander. Eindelijk gelukkig leefde ze met haar tweede man in Portugal, tot hij, 89 jaar oud, in 1999 aan kanker stierf.
Anna’s moeder, die na 1945 weer aan het reizen was geslagen, was dertig jaar eerder op 91-jarige leeftijd in Amsterdam overleden.
Voor wie dit allemaal te fantastisch lijkt om waar te zijn: het is echt gebeurd. Mooier nog: er is nog veel meer gebeurd in het lange leven van Anna Boom. En dit schitterende, spannende levensverhaal, waarvan iedere biograaf droomt, viel zomaar in de schoot van Judith Koelemeijer, die Boom ontmoette bij haar oom, een van de personages uit Koelemeijers debuut, ’Het zwijgen van Maria Zachea’.
In het nawoord van haar nieuwe boek schrijft ze dat ze met gemengde gevoelens naar de gearrangeerde ontmoeting reed: „Ieder mens heeft een verhaal, maar niet ieder verhaal is ook een boek. Wat als ik er niets in zou zien? Hoe kwam ik er dan op een nette manier weer van af?” Eenmaal aan de praat met Anna, begreep Koelemeijer echter dat er wel degelijk een boek zat in haar levensverhaal. Ze hoefde, lijkt het, alleen nog maar te bedenken in welke vorm ze dat verhaal zou gieten: een biografie of een roman.
Het werd een mengvorm. Koelemeijer koos voor hetzelfde procedé als het boek over haar familie: ze voert, net als in een traditionele roman, een alwetende verteller op die in het hoofd van haar echt bestaande personage kruipt. Bovendien gebruikt ze, net als in ’Het zwijgen van Maria Zachea’, bijna alleen maar korte en directe zinnen, die alle woorden even zwaar en gewichtig maken. Bij haar vorige boek zorgde dat ervoor dat de ervaringen van haar personages iets overdreven beladens kregen – Koelemeijer hoort niet tot het soort auteurs die de dagelijkse werkelijkheid juist in haar alledaagsheid laten glanzen. Vreemd genoeg heeft deze aanpak in ’Anna Boom’ een tegenovergesteld effect: de eerste helft van het verhaal over het spannende leven van haar hoofdpersoon klinkt vlak en saai.
Bovendien laat Koelemeijer Anna voortdurend twijfelen; over haar gevoelens, beslissingen en beweegredenen. De eerste hoofdstukken hangen van de ’misschiens’ aan elkaar, en dat ontneemt niet alleen het verhaal alle schwung, maar berooft je ook van de mogelijkheid je in Koelemeijers personage in te leven. Anna blijft, ook al zit je als lezer in haar hoofd, onzichtbaar en afstandelijk.
Pas in het laatste hoofdstuk, als Boom haar tweede man heeft ontmoet, wordt het verhaal spannend. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat zij pas tegen haar tweede man over haar verleden kon praten en zich ook toen pas van alles begon te herinneren – daarvoor deed ze, als zoveel overlevenden van de Tweede Wereldoorlog, vooral veel moeite om te vergeten.
Dat Koelemeijer dit gegeven in de opbouw van haar boek wilde laten uitkomen, is begrijpelijk. Maar handig was het niet. Hoeveel onderzoek ze ook heeft gedaan, hoeveel gesprekken ze ook heeft gevoerd en met hoeveel empathie ze zich ook in het verhaal van haar onderwerp heeft ingeleefd, ’Anna Boom’ wekt maar één verlangen op: dat dit uitzonderlijke verhaal nog eens wordt verteld, maar dan in een stevige, traditionele en uitvoerige biografie zonder literaire pretenties, waarin we meer te zien krijgen dan Anna Booms gezichtpunt alleen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.