Hartje Rotterdam. Middernacht. Ik ben in mijn kleine Fiat op weg naar huis in de Betuwe, dus nog een flink eind weg. Het regent en het zicht is slecht. Er zijn tramrails in een bed van grint, de bocht naar links die ik moet nemen, zie ik niet direct, ik beland in het bed van grint met een hoge stoepdrempel aan beide kanten. Ik schrik als ik de situatie bekijk. Hier kom ik niet uit.
Ik sta in de regen en ben even de kluts kwijt. Geen mobieltje bij me, weinig of geen auto’s te zien, Wat nu?
Mijn zoon woont bijna een kilometer terug, er zit niets anders op. Ik pak mijn tas en zet de pas erin. Er stopt een auto, een jonge man,een gekleurde Nederlander steekt zijn hoofd naar buiten: „Kunnen we u helpen?” Met z’n drieën bekijken ze de situatie. Ze proberen te duwen en te trekken maar komen ook tot de conclusie dat er niets aan valt te doen. Op dat moment verschijnt er een grote gele sleepauto. Ja, hij wil het proberen, maar er zijn risico’s aan verbonden. „Negen van de tien keer wordt de olietank beschadigd en het kost u wel wat.” „Hoeveel?” „80 euro.” „Te veel,” zeggen de drie. Maar ze gaan aan het werk en na angstig geknars komt mijn Fiatje over de stoeprand. In mijn portemonnee zit 40 euro. „Genoeg,” zeggen de drie en de sleper kan niet anders dan ja knikken.
Ik dank de drie en ga op weg. Door de ellende kies ik de verkeerde richting. Plotseling zit ik in de Maastunnel. Honderd meter verder rijdt er ineens een auto voor me met knipperende lichten, ook dat nog, politie. Hetzelfde hoofd steekt naar buiten. „U moest toch richting Nijmegen? U zit verkeerd. Rij maar achter ons aan, op de snelweg zal ik vier keer knipperen, dan zit u goed.” Verbijsterd zeg ik: „Jullie zijn engelen!” „Marokkaanse engelen dan toch wel!” Ze lachen. Als de auto vier keer knippert, ben ik ontroerd en heb tranen in mijn ogen.
Willemien Kuitenbrouwer Beesd
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.