De PKN discussieert niet met ds Hendrikse, diepe stilte heerst er ook onder theologen.
Op de Podiumpagina van Trouw is al enige malen ter sprake geweest waarom de PKN wel of niet reageert op de ’kwestie Hendrikse’. Dat in deze zaak niet in de eerste plaats de synode of het moderamen aan zet is, is uit procedurele overwegingen wel te begrijpen. Als hoogste beroepsinstantie in een kerkrechtelijke beoordeling van de positie van ds. Hendrikse in de PKN, moet zij ervoor waken voortijdig een standpunt te bepalen, zeker als het gaat om de kerkrechtelijke kant van de kwestie.
Maar waarom blijft het zo akelig stil van de zijde van de docenten en hoogleraren theologie, in het bijzonder van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU)? Als er in de plaatselijke gemeenten van de PKN beroering ontstaat omtrent de betekenis van de uitspraak ’geloven in een God die niet bestaat’, lijkt mij normaal dat theologen, die dagelijks wetenschappelijk bezig zijn met uitspraken over God en geloof, van zich laten horen.
De vraag: Hoe lezen we de Bijbel, als neerslag van menselijke ervaringen met God of het goddelijke?, wordt met de dag actueler. Om te voorkomen dat subjectivisme de boventoon gaat voeren, moeten vooronderstellingen worden doorgedacht. Wat is goed leven?, bijvoorbeeld. Is het christendom uniek in zijn boodschap, en hoe moet dan die uniciteit voor kerk en maatschappij in het debat verwoord worden? Hoe kan het geloof voor een christen-politicus een rol van betekenis spelen zonder in conflict te komen met de scheiding tussen kerk en staat?
Ook al hebben zij die verbonden zijn aan de PThU niet juridisch de plicht zich uit te laten over waar theologisch in de kerkelijke achterban veel over te doen is, in moreel opzicht hebben zij wel een wetenschappelijke verantwoordelijkheid.
Het is niet de eerste keer dat mij dit diepe stilzwijgen opvalt. Wanneer ik in de wetenschappelijke theologische tijdschriften blader en tracht hier en daar eens een artikel te lezen en te doorgronden, dan lijkt de inhoud van vele artikelen mijlenver verwijderd te zijn van de discussies over kerk en theologie die op dat moment onder de meelevende en (semi) intellectuele kerkgangers gevoerd worden. Ik zou hier man en paard kunnen noemen, maar dat is misschien een te rechtstreekse confrontatie met deze en gene auteur.
Zijn theologen verbonden aan de PthU bang voor repressie van de synode omdat ze zich in hun publicaties niet zouden bewegen binnen de grenzen van het kerkelijk belijden? Ik kan het me moeilijk voorstellen omdat met elkaar in dialoog blijven in de PKN hoge ogen gooit, en censuur en tucht, laat staan schorsing door de leiding niet meer in de mond genomen worden. Iemand uit het hoogste niveau in de PKN zei onlangs tijdens een lezing dat het ’niet in rapport met de tijd zijn’ van onze theologische wetenschappelijke voorgangers een moeilijk onderwerp vormt in de gesprekken op beleidsniveau.
Valt de predikanten in hun zondagse preek iets te verwijten als het gaat om participatie in de actuele theologische discussies? Het zal vast wel voorkomen dat er nog tijdloze preken gehouden worden, gespeend van elke inmenging in en commentaar op de zaken die (vele) kerkgangers bezig houden als het gaat om de interpretatie en toepassing van de bijbelse boodschap voor onze tijd. Echter dient het onderscheid tussen kansel en katheder hier niet genegeerd te worden. De dominee moet toch door zijn uitleg en verkondiging van de boodschap aan de gemeente troost en bemoediging bieden om het leven van alledag aan te kunnen. Een discussie op (semi)wetenschappelijk niveau over theologische kwesties is in de preek onmogelijk en onwenselijk. In leerhuizen en gesprekskringen kan een en ander aan de orde gesteld worden, maar ook daar ontbreekt meestal de kennis om het gesprek uit te tillen boven het uiten van subjectieve ervaringen en meningen.
Via deze weg doe ik een beroep op onze theologische wetenschappers om zich te mengen in de discussie. Lezingen, symposia, boeken, brochures, tijdschriften, krantenartikelen; keus genoeg om een publiek te bereiken. Plaatselijke kerken willen zeker meewerken met zaalruimte, aankondigingen, vergoedingen en organisatorische kleinigheden.
In de economische wetenschap geldt: het aanbod schept de vraag. De vraag is er, nu het aanbod nog.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.