Joep Dohmen is de auteur van het essay voor de Maand van de Filosofie. Dat verschijnt vandaag. Dohmen zoekt naar waarachtigheid. Dat is het tegendeel van waar Arnon Grunberg voor staat, een ’laffe cynicus’. En het moderne kwaad huist in de propvolle agenda.
’Op een dag in 1956 komt mijn vader om 16.00 uur thuis. Ik herinner het me goed, ik zat met mijn moeder in de keuken, hij was een paar uur eerder dan gewoonlijk. Ontslagen. Niet omdat hij als ambtenaar zijn werk slecht deed maar omdat hij een opdracht van zijn meerdere had geweigerd.
In een zaal met tweehonderd andere ambtenaren, had zijn chef hem opgedragen bij de poelier een konijn te gaan kopen, omdat zijn vrouw en hij die avond konijn wilden eten. Mijn vader stond op en antwoordde: ’Dat doe ik niet, want dat behoort niet tot mijn taken.’ De man herhaalde zijn bevel. Mijn vader volhardde in zijn weigering. Als een ouderwetse patriarch ontstak de man in woede, waarna hij mijn vader ontsloeg.”
In een gesprek over ’Het leven als kunstwerk’, zijn essay voor de Maand van de Filosofie, roept de filosoof Joep Dohmen deze herinnering op om de maatschappij te schetsen waaruit we stammen.
„Wij hebben ons ontworsteld aan een paternalistische cultuur waarin autoriteiten willekeurig over het leven van onderschikten beschikten. Wij bemoeien ons gelukkig niet meer op die manier met anderen. Maar van de weeromstuit zijn we in een liberale cultuur van zelfbeschikking terechtgekomen waarin niemand zich meer met de ander bemoeit, durft te bemoeien. Vrijheid betekent vandaag: niet-inmenging. Ik maak alles zelf wel uit.”
Dohmen, sinds december hoogleraar ethiek aan de Universiteit van Humanistiek, kenschetst deze cultuuromslag eveneens met een sprekend voorbeeld: „Ik geef op maandagochtend om negen uur college. Een paar weken geleden was de zaal bij aanvang half leeg, om tien uur druppelde de rest binnen. Mijn ergernis heb ik bij aanvang van het college laten blijken, ik voer uit tegen de aanwezigen: ’Wat is dit voor flauwekul? We spreken hier over ingewikkelde stof. Ik bereid me voor, daarvoor doe ik mijn uiterste best, en jullie dienen zo goed mogelijk deel te nemen aan de discussie. Maar de helft is er niet, die dendert straks de zaal binnen om ons gesprek te verstoren.’
De aanwezigen begonnen te protesteren: ’Waarom zeg je dat tegen ons? Het is toch niet onze verantwoordelijkheid? Wij zijn wél aanwezig, en als zij er in alle vrijheid voor kiezen in bed te blijven liggen is dat hun verantwoordelijkheid’.”
Geen gek weerwoord, toch?
„Ik geef onmiddellijk toe: het kan heel hachelijk zijn je met anderen te bemoeien. Toch moeten we dat meer doen. In plaats van niet-inmenging pleit ik voor elkaar aanspreken en op elkaar afstemmen. Wanneer studenten medestudenten aanspreken, heeft dat meer effect dan wanneer ik ze een reprimande geef. Zij worden zich dan bewust van hun gedrag en ontdekken wat een college is. Dat vind ik belangrijk. Die afwezige studenten hadden er helemaal niet in vrijheid voor gekozen in bed te blijven liggen. Dat zou tenminste nog wát zijn! Maar nee, het is ze weer eens overkomen. De wekker ging, ze waren nog te moe en zijn weer ingedut.
Studeren is tegenwoordig iets wat ze erbij doen, naast werken, uitgaan, feestjes, chatten, surfen op internet, en in bed liggen. Ik stel dat vrijheid geen uitgangspunt is maar een moeizaam te bereiken verworvenheid. Wij moeten leren met onze moderne vrijheid om te gaan. Dat vereist, schrijf ik, geen paternalisme van links of rechts, maar een níeuwe cultuur van het zelf.”
Hoe komen we daaraan?
„Mijn essay is geen therapeutisch handboek. Er zijn geen pasklare oplossingen waarmee je in een handomdraai die nieuwe vrijheid aankunt. Maar er is wel degelijk een alternatief: de moraal van de levenskunst. Aan de basis van deze beweging staat de Franse filosoof Michel Foucault, die vlak voor zijn dood in 1984 zei: ’Waarom zou niet ieder van zijn leven een kunstwerk maken? Waarom is die lamp, dit huis wel een kunstwerk en mijn leven niet?’”
Stel: ik wil van mijn leven een kunstwerk maken, hoe doe ik dat?
„Oppassen met termen als levenskunst en kunstwerk, ze zijn erg hoogdravend. Ze wekken de suggestie dat het leven maakbaar is, en wanneer we het eenmaal gemaakt hebben, zouden we ons voor eeuwig kunnen koesteren in het Zwitserleven-gevoel. Maar zo maakbaar is het leven niet en zo’n leven is helemaal geen kunstwerk.
Welke levensvorm ik voorsta?
Er zijn verschillende vormen. De een zal voor een spiritueel leven kiezen, voor een ander is een maatschappelijke carrière belangrijk, een derde legt de nadruk op genieten, een vierde wil zich dienstbaar maken voor zijn naaste. Ik ben te zeer kind van mijn tijd om deze levenswijzen allemaal af te keuren. Maar het gaat er wel om het leven niet te laten verglijden.”
Dat is alles?
„Nee. Uiteindelijk draait het volgens mij om een authentieke motivatie, om waarachtigheid. Het heeft geen zin een muzikaal leven te willen leiden als je geen talent hebt. Je moet niet spiritueel willen zijn als je geen religieus instinct hebt. Je moet uitzoeken waar het voor jou in het leven werkelijk om draait. Daar ontbreekt het aan, en dat leidt tot verkeerde houdingen.
Onwaarachtig leven leidt tot ontsporingen als sentimentalisme, fundamentalisme, cynisme. Van dat laatste vind ik Arnon Grunberg een treffend voorbeeld: hij is een laffe cynicus die de media uitbuit met zijn zelfgenoegzame estheticisme.”
Stevige taal. Waaruit blijkt zijn onwaarachtigheid?
„In al zijn publicaties laat hij zich cynisch uit over de mensheid: beschaving is een dun laagje vernis, waaronder niets dan rottigheid broeit. Die rottigheid toont hij ons in geuren en kleuren. Maar in zijn privé-leven is hij alles behalve een cynicus, hanteert hij ineens wel een moraal, is attent voor zijn vriendin en zorgzaam voor een kind. Die tweedeling is onwaarachtig. Hij belazert de boel.”
Hoe ontdek je of je een waarachtig leven leidt?
„Door bezinning en oefening. Een voorbeeld. Op de gang loop ik een collega tegen het lijf, die mij niet groet. Ik word kwaad: wat is dit? Dan vraag ik me af of zijn gedrag met dat akkefietje van laatst te maken heeft. Maar toen zat hij fout, denk ik. Wat geeft hem dan het recht mij nu niet te groeten? In een vergadering een paar uur later neem ik genadeloos wraak. Dit is een patroon dat in het dagelijkse leven veel voorkomt: je ziet iets, interpreteert iets, raakt geëmotioneerd, er ontstaan verlangens, je overweegt en je drukt je verlangens uit. Bezinning leidt ertoe dat je die verlangens onderzoekt: wat is er nou echt aan de hand? Dan schort je je wraak op en nodigt de ander uit voor een gesprek.”
Misschien worden we zo bedachtzamer, maar waarachtiger?
„Mijn boek draait om de stelling dat het ons vandaag ontbreekt aan een moraal van zelfverantwoordelijkheid. Willen we een nieuwe moraal van zelfverantwoordelijkheid ontwikkelen, dan moeten we ons erover beraden wie we zijn. Op die vraag kunnen we alleen maar antwoord geven als we beseffen dat we gelokaliseerd zijn: ik bijvoorbeeld op de universiteit, u op een krantenredactie.
Die gesitueerdheid brengt beperkingen met zich mee, die we grotendeels moeten accepteren. Concrete machtsverhoudingen zijn niet te ontkennen. Doen we dat toch en miskennen we onze eigen rol, dan raken we telkens weer gefrustreerd en zal onze zelfzorg stranden. Pas wanneer we onze gesitueerdheid onder ogen zien, kunnen we een vruchtbare moraal van zelfverantwoordelijkheid opbouwen. En die staat aan de basis van een waarachtig leven.”
Goed, ik wil mij bezinnen. Hoe begin ik daarmee?
„Probeer bijvoorbeeld te achterhalen hoe je dag in elkaar zit, hoe je met je tijd omgaat. Waarom doe je acht dingen op een dag in plaats van vier? En welke van die acht zijn echt belangrijk? Vorig jaar heb ik een groep studenten een essay laten schrijven over tijd, en omgaan met tijd. Van de vijftig studenten kreeg ik vijfendertig goed geschreven essays, waaruit bleek dat hun dag bomvol zat. Ze hadden geen dagindeling en geen sjoege van wat echt belangrijk is. Dat is het moderne kwaad.
Autobiografische notities zijn in de geschiedenis altijd een belangrijk aspect geweest van zelfzorg. Wie schrijft er vandaag nog brieven? Wie houdt er nog een dagboek bij? Iedereen die wel eens geschreven heeft, weet dat ideeën pas tijdens het schrijven echt gevormd worden. Opschrijven leidt tot inzicht, wij komen onszelf tijdens het schrijven pas op het spoor, en ontdekken zo wat we belangrijk vinden, wat ons ergert, wat ons angst aanjaagt.
Naast schrijven draagt spreken bij aan zelfinzicht. Dan denk ik niet aan het oeverloze geleuter in een mobiele telefoon maar aan een gesprek met een vriend. Ook die zijn naar mijn idee tegenwoordig schaars geworden. Onze vriendschapsbanden zijn veranderd: ze zijn tegenwoordig of nuttig en functioneel, of gericht op plezier. De Grieken spreken van de vriendschap omwille van de vriendschap. Wie zo’n vriendschap onderhoudt, volgt het reilen en zeilen van zijn vriend. En spreekt daarover – ook kritisch. Natuurlijk levert de tegenstem van mijn vriend zelfkennis op, en daarom zijn zulke gesprekken onderdeel van de zelfzorg. Maar wie voert er nog zulke gesprekken?”
U begon over een waarachtig leven, maar eindigt als cultuurpessimist.
„Nee, dat geloof ik niet. Een cultuurpessimist heeft een blauwdruk van een ideale maatschappij. Aangezien dat ontwerp niet overeenkomt met de werkelijkheid, keurt hij de werkelijkheid af. Ik heb geen blauwdruk, ik heb natuurlijk wel een voorkeur. Ik zou graag willen dat mensen meer levensvervulling vinden. Dan kijk ik naar onze liberale cultuur en zie de triomf van de zakelijkheid, het platte hedonisme en heel veel opschepperij. Over de norm van zelfbeschikking en de dominante houding ons niet met elkaar te bemoeien, ben ik inderdaad somber. Maar ik ben toch ook hoopvol over de vraag naar bezinning. Die vraag neemt dagelijks toe. De laatste jaren ontmoet je overal mensen die het helemaal gehad hebben met het liberalisme. Die weer serieus nadenken over de richting van hun leven, die op alle mogelijke manieren aan zelfzorg en zelfbeheer doen, die weer een pen ter hand nemen, nieuwe gesprekken beginnen te voeren. Ze proberen op een waarachtige manier te leven. En zo’n leven, dat vind ik een kunstwerk.”
Joep Dohmen: Het leven als kunstwerk; uitg. Lemniscaat; ISBN 978 90 477 00 65 4. Eerder publiceerde hij: Over levenskunst, uitg. Ambo, ISBN 90 263 1931 2, euro 14,95.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.