*

 

Theatrale Hugo Claus: ’Kijk, wat een mooie man loopt daar!’

Arend Evenhuis − 12/04/08, 00:00

Theater

’De versie Claus’, monoloog met Josse de Pauw van Het Toneelhuis, t/m 26/4 Antwerpse Bourlaschouwburg, tournee in 2009. www.toneelhuis.be. Met ’Hommage met oesters’ organiseert ’Behoud de Begeerte’ zondag 13/4 een herdenkingsplechtigheid voor de oesters minnende schrijver van ’Het verdriet van BelgiĆ«’. In de Bourlaschouwburg, met talloze Vlaamse en Nederlandse dichters en muzikanten. Rechtstreeks te volgen via de Vlaamse radiozender Klara, 18 tot 22 uur.

Van interviews hield Hugo Claus niet. Van interviewers al helemaal niet. Maar hij vermaakte zich tegelijkertijd om de onzin die over hem werd geschreven. En wakkerde die ook aan, door verschillende verhalen te vertellen aan de interviewers die hem kwamen interviewen. De leugen verdedigend, een waarheid over zijn leven bij elkaar liegend.

In het boek ’Groepsportret’ portretteert Mark Schaevers via de honderden interviews die Claus ooit gaf, de Belgische schrijver, schilder en regisseur. Op zijn beurt distilleerde acteur Josse de Pauw daaruit zijn theatersolo ’De versie Claus – een veelstemmige monoloog’. Het Antwerpse Toneelhuis programmeerde de monoloog ver voor Claus’ dood.

Op het podium van de Antwerpse Bourlaschouwburg, waar nog maar pas Claus’ doodskist stond, staat nu een schavotje met daarop een tafel en stoel. Lilliputter Chris Willemsen neemt achter de tafel plaats en speelt de rol van de gekleineerde, zwijgende en niet-noterende interviewer.

Josse de Pauw is de geïnterviewde (of eigenlijk: zichzelf interviewende) Hugo Claus. Bezonnebrild, in beige kostuum, kloek, fier en vastberaden loopt, draait en kuiert hij om zijn slachtoffer op het schavotje heen. En verhaalt ondertussen ononderbroken van zijn eigen levens(on)waarheden. Hij blijkt een man die er steeds tijdig vandoor ging.

De Pauw probeert geen moment om Claus na te doen, hij speelt z’n eigen Claus in gedecideerde hoffelijkheid. Met nergens sporen van rancune, wel met vleugjes superieurheid. Als een soort bescheiden Steve McQueen-met-ingehouden-binnenpretjes.

Hoofdpersonage Claus zegt zijn geboorteplaats Brugge te verfoeien (’net zo’n briefkaart als Gent, ook al hangen er de mooiste Memlings’), en in het gemarcheer van in het leer gestoken Duitse bezetters tevens ballet te zien, ’ook al stond de hele stad in lichterlaaie’. Hij gedroeg zich toen als een jongen van elf, ’zoals heel BelgiĆ« zich toen gedroeg’, en kreeg er ’nog steeds nachtmerries’ van.

Hij zegt zich lelijk te vinden, op die ene keer na. In de drie maanden waarin hij vergeefs op de toneelschool zat, ’vergat’ hij zich eens af te schminken en liep hij geschminkt over straat. En hoorde hij de voorbijgangers zeggen: ’Kijk, wat een mooie man loopt daar!”

Allicht is hij geen ’reus van Vlaanderen’, zoals een domme journalist ooit schreef. En een ’Vlaamse reus’ al helemaal niet, want dat is een konijnenras.

„Dan liever een hamster. Hij verzamelt en verzamelt, en verschanst zich dan.” En, citerend uit de dierenencyclopedie: „Zijn moed is even groot als zijn toorn. Hij verweert zich tegen ieder ander dier dat hem aanvalt en zolang als hij kan.”

mailIcon print |