Georges Cuvier is bij leven verguisd vanwege zijn stelling dat reuzenreptielen door catastrofen waren uitgestorven. Zijn biograaf laat zien dat hij naar de huidige inzichten eerherstel verdient.
Eric Buffetaut, Cuvier; Bedenker van de Catastrofetheorie. Veen Magazines, Diemen; ISBN 9789085711339; 159 blz. euro 32,50
In 1770 werd er in de ondergrondse mergelgroeven van de Sint Pietersberg bij Maastricht een enorme schedel opgedolven die voor enige opwinding zou zorgen. Er werd gedebatteerd over herkomst en eigendom van het fossiel. De eigenaar van de grond kreeg de schedel toegewezen en bij de belegering van Maastricht door de Fransen in 1794 werd zijn huis met opzet gespaard. Maar de schedel was inmiddels elders verborgen en nadat er zeshonderd flessen wijn waren uitgeloofd, kwam die weer boven water.
De schedel werd naar Frankrijk vervoerd en staat daar nog steeds te pronk in het natuurhistorisch museum van Parijs. Diplomatieke inspanningen van Nederland om de schedel weer terug te krijgen (nog in de vorige eeuw) hebben niets uitgehaald. Het fossiel werd ’Mosasaurus’ (maashagedis) genoemd, maar had met de Maas weinig te maken. Georges Cuvier (1769-1832) determineerde het uiteindelijk als een hagedis, behorend tot de varanen die vroeger in zee hadden geleefd en nu uitgestorven waren. Daar sloeg Cuvier trouwens de plank mis want later dook er op het Indonesische eiland Komodo een nu levende varaan op, maar wel een behoorlijk maatje kleiner.
Cuvier stond aan de wieg van de paleontologie, de studie van dieren uit vroegere geologische perioden aan de hand van fossielen. Het verhaal is wel de ronde gaan doen dat hij in staat zou zijn om uit een enkel botje de rest van een prehistorisch geraamte te reconstrueren. Dat is te veel eer, maar hij was wel de grondlegger van het ’correlatieprincipe’ in de anatomie volgens welke de delen van een prehistorisch dier met elkaar samenhangen. En dan kun je uit weinig skeletdelen (de kiezen, bijvoorbeeld) veel opmaken over voedingswijze, stofwisseling en motoriek van het betreffende dier.
Omdat zijn onderzoek uitgestorven dieren betrof, zoals vroegere reuzenreptielen, dacht Cuvier dat er zich vroeger catastrofen hadden voorgedaan zoals overstromingen of een zich terugtrekkende zee; dat laatste was de ’Mosasaurus’ overkomen. Cuvier schreef over ’révolutions’, omwentelingen, wat in zijn tijd (die van de Franse Revolutie) stellig indruk moet hebben gemaakt.
Die catastrofenleer van Cuvier heeft voor veel misverstanden gezorgd. Tot op vandaag wordt Cuvier door sommigen begrepen als iemand die geologie en Genesis met elkaar wilde verzoenen. Immers, het verhaal van de zondvloed vloeide mooi samen met diens catastrofenleer. Buffetaut analyseert helder waarom die interpretatie niet deugt: Cuviers catastrofen waren eerder lokaal terwijl de zondvloed mondiaal was. Bovendien deden zich volgens Cuvier herhaaldelijk catastrofen voor. En tot slot is uitgezocht hoe gelovig Cuvier al dan niet was en is gebleken dat hij slechts een ’minimaal deïst’ was, iemand die nog net in God geloofde maar aan Genesis geen waarde hechtte.
Om nog een andere reden is de catastrofenleer Cuvier blijven achtervolgen. In de achttiende eeuw waren er nog verschillende stromingen binnen de geologie maar toen die wetenschap zich begin negentiende eeuw begon uit te kristalliseren, ging de stroming van het uniformitarisme domineren: geologische veranderingen voltrekken zich geleidelijk volgens uniforme wetmatigheden en niet als gevolg van relatief plotselinge en moeilijk verklaarbare catastrofen. In de geologie ging uniformitarisme gelden als wetenschappelijk en catastrofisme als religieus-mythisch. Cuvier, toch een groot en invloedrijk geleerde, werd daarmee tot een belemmering voor de vooruitgang in de wetenschap.
Buffetaut heeft in zekere zin Cuvier gerehabiliteerd door aan te voeren dat catastrofen volgens de huidige inzichten wel degelijk voorkomen in de ontwikkeling van het leven op aarde. In de tweede helft van de vorige eeuw concludeerde men dat 65 miljoen jaren geleden een grote meteorietinslag in Yucatan, Mexico, de massauitsterving van de sauriërs tot gevolg had en aan kleine zoogdieren de kans gaf zich verder te ontwikkelen. Bufffetaut had er nog aan kunnen toevoegen dat volgens Gould en Eldridge, twee Amerikaanse evolutiebiologen, de evolutie zich schoksgewijs voltrekt: het plotseling verschijnen van hoofdtakken van levensvormen na vaak lange tijd van stilstand. Massaextincties spelen daarin ook nog een rol.
Al met al kun je wel zeggen dat Cuvier vaak verkeerd werd begrepen en in zekere zin slachtoffer is geworden van wetenschappelijke zuiveringen. Natuurlijk zat hij er in een aantal opzichten ook faliekant naast. Dat erkent Buffetaut overigens wel. Zijn boek vertelt weinig over Cuviers persoonlijke leven maar is dan ook bedoeld als een wetenschappelijke biografie. In dat opzicht heeft Buffetaut een goede balans gevonden tussen verguizing en verheerlijking, met een heldere uitleg die voor een breed publiek prima is te volgen.
En zoals alle biografieën in deze reeks is ook Cuvier weer prachtig en weelderig geïllustreerd: van maashagedis tot meteorietinslag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.