*

 

Chicks zijn dumbo’s, maar ’lads’ zijn dat ook

Hanna de Heus − 12/04/08, 00:00

Chicklit begint langzaamaan te vervelen. Maar de zegetocht van de ladlit: luchtige romans over mánnelijke stuntelaars, is nog niet over. Hanna de Heus las drie Britse komedies, en legt uit waarom clichés grappig kunnen zijn.

Nick Hornby: Smak. Uit het Engels vertaald door. Elles Theulen. Atlas, Amsterdam. ISBN 9789045003078; 271 blz. euro 19,90

William Sutcliffe: Als jij maar gelukkig bent. Uit het Engels vertaald door Janet van der Lee. Prometheus, Amsterdam. ISBN 9789044611458; 333 blz. euro 19,95

Dan Rhodes: Goud. Uit het Engels vertaald door Joris Vermeulen. De Bezige Bij, Amsterdam. ISBN 9789023426912; 207 blz. euro 17,50

De chicklit lijkt alweer over haar hoogtepunt heen, waarschijnlijk omdat vrouwen inmiddels massaal de ladlit hebben omarmd. Als je maar genoeg in het dagboek van Bridget Jones hebt gelezen, of je lang genoeg hebt gelaafd aan de koopverslaving van Sophie Kinsella's heldinnen, ga je je vanzelf afvragen hoe mannen zich in het leven handhaven en hoe zij met hun dagelijkse problemen omgaan.

Twee Engelse auteurs, Nick Hornby en William Sutcliffe, en hun Schotse collega Dan Rhodes, lichten in hun nieuwe romans wat tipjes van de sluier op.

Nick Hornby kiest in ’Smak’ voor een zeer jonge held, de zestienjarige skater Sam. Per ongeluk maakt hij zijn vriendinnetje zwanger, waardoor hij noodgedwongen zijn jeugd achter zich laat en de mannenwereld betreedt. Dat valt uiteraard niet mee, maar geeft de lezer alle gelegenheid te grijnzen om zijn onbeholpen gestuntel. Zo wil zijn vriendin de baby graag vernoemen naar de zanger wiens muziek ze tijdens het baren beluistert: Rufus, afgekort Ruf, naar Rufus Wainwright. Sam denkt aanvankelijk dat zijn kind Roof heet; later is hij blij dat zijn zoon tenminste is ontsnapt aan een gruwelijker lot: om als Sex Pistol of Kylie door het leven te gaan.

Sams verwarring maakt Hornby met roerende details aannemelijk. De puber voelt zich te jong voor wat hem overkomt, maar kan dat niet rechtstreeks verwoorden. In plaats daarvan zegt hij dat ’zijn moeder maar een jaar ouder is dan Robbie Williams’. Dat referentiekader – popmuziek–, dat automatisch teruggrijpen op je moeder, die onhandige omweg in het vertellen geeft de tragiek van deze puber prachtig weer.

Hoewel alle ladlit in de regel realistisch is, laat Hornby Sam twee bovennatuurlijke tijdreizen in de toekomst maken. Deze passages geven het verder strikt chronologisch vertelde boek een filmische kwaliteit, alsof een onzichtbare regisseur hier om een tijdsprong vroeg.

Vreemd is de link met het medium film niet. Alle ladlit zou moeiteloos tot comedy verfilmd kunnen worden. En is chicklit niet de papieren versie van een tv-serie als ’Sex and the City’?

William Sutcliffe’s roman ’Als jij maar gelukkig bent’ schreeuwt er bijna om verfilmd te worden. Het boek draait om drie mannen van halverwege de dertig, voormalige klasgenoten, die maar niet volwassen lijken te worden. En om hun moeders, die een weekje komen logeren om te kijken wat hun zonen zoal uitspoken daar in de grote stad.

Waarom hebben de moeders het gevoel hun kinderen totaal niet meer te kennen? Dat wordt al snel duidelijk. Een van de mannen is hoofdredacteur van een pornoblad, heeft te veel geld, en neemt verdacht jonge vriendinnetjes mee naar huis. Een andere moeder ontdekt dat haar zoon homo is en logeert tot haar grote consternatie opeens in een homocommune. En de laatste zoon is ontspoord door ernstig liefdesverdriet. Natuurlijk staan deze gegevens garant voor een opeenstapeling van hilariteit en tranentrekkende momenten. En ook hier weer grappen over namen, zoals de passage waarin de moeder van Matt, de pornokoning, met een van zijn tienervriendinnetjes wordt geconfronteerd. Het meisje heet Angel. „Mooie naam,” weet moeder, die niet meteen kritiek wil leveren, uit te brengen. Het meisje beaamt dat: „Mijn moeder zegt dat ze na één blik op me geworpen te hebben dacht: Angel, dus nu heet ik zo.” Dan kan Matts moeder zich niet langer inhouden: „Wat enig. Matt is te vroeg geboren. Als ik ook zo had gereageerd als je moeder had hij Foetus geheten.”

Sutcliffe’s roman heeft, mede door de drie plotlijnen, meer vaart dan het boek van Hornby. Zijn sterke punt is het beschrijven van familieverhoudingen die in een bepaald patroon zijn gegroeid, en die, zodra ze onder de loep worden genomen, uiterst bizar en confronterend blijken te zijn. Herkenbaarheid bij de lezer alom; een troef die Sutcliffe met verve uitspeelt.

Dan Rhodes is de enige van de drie hier besproken auteurs die er rond voor uitkomt meer door televisie en comedy's beïnvloed te zijn dan door literatuur. Maar juist hij durft het als enige aan zijn roman op het platteland te laten spelen, wat zijn boek commercieel minder aantrekkelijk maakt. Want de dorpsbewoner die alleen maar naar de plaatselijke kroeg kan en wiens besef van kunst niet verder reikt dan een reproductie aan de muur, is in dit genre nu eenmaal minder gewild dan de nachtclubs afstruinende stadsbewoner, wiens appartement uitkijkt op de Tate Modern.

Maar ook hier worden vaste patronen doorbroken, namelijk als de half Japanse lesbo Miyuki in een kleine dorpskroeg neerstrijkt– en dat elke avond met een ander boek. Rhodes zet haar stadse verfijndheid en kennis scherp af tegen de onbenulligheid –- zeg maar domheid –- van de mannelijke dorpelingen. Er worden weer flink wat stereotypen bevestigd. Maar geestig is het wel, zoals in de passage waarin een nieuwe barmeid uit de stad wordt aangenomen. Ze is zo knap, dat alle mannen die de pub binnenkomen verbijsterd ’Jesus Christ!’ uitroepen. De barmeid concludeert dat dit de plaatselijke begroeting in het dorp moet zijn en even later horen we haar een niets vermoedende klant begroeten: „Jesus Christ. Wat wilt u drinken?”

De humor in dit soort boeken is veelal gebaseerd op uitvergrotingen van herkenbare karakters en situaties. Politiek incorrect zijn in dit genre een must. Zo zijn jonge vrouwen in deze boeken louter bevallige wezens, een beeld waar feministen in de jaren zeventig nog zo hevig tegen hebben gestreden.

De auteurs pretenderen boven dat cliché te staan, het tot satire te verheffen, maar intussen bevestigen ze het toch en is er een hele generatie vrouwen en een grote groep mannen die hun werk verslinden. De chicklit, waarin vrouwen zich vertwijfeld afvragen of ze niet teveel putjes in hun dijen hebben, is wat dat betreft trouwens weinig beter.

Nieuw is wel dat de mannen in beide genres op geen enkele manier gespaard worden. Niet door vrouwen, maar ook niet door henzelf. Het is die gelijkheid die lucht geeft om te lachen.

mailIcon print |