*

 

Bijna doodervaring wordt altijd in terugblik verslagen

Bert Keizer − 09/02/08, 02:28

Het min of meer gegarandeerde weerzien na de dood uit de Middeleeuwen kon in de 19de eeuw langs twee wegen geblokkeerd worden. De eerste blokkade was onvermijdelijk als een mens zich tijdens zijn leven niet tot God wendde, geen bekeringsmoment kende waarin hij ontdekte waarlijk een kind van God te zijn.

De tweede blokkade was zo mogelijk nog ernstiger en die bestond er in dat een mens zich niet zozeer van God afwendde, maar beweerde dat er helemaal geen God was. Een van de redenen waarom Darwin zijn evolutieleer zo lang bij zich hield was het verdriet dat zijn vrouw zou treffen bij de ontdekking van zijn ongelovigheid. Dat zou voor haar de verpletterende zekerheid betekenen dat zij hem na de dood niet zou weerzien.

Toen mijn moeder in 1959 veel te jong stierf was er één bevriend echtpaar dat mijn vader condoleerde met een formule die ook hem toen trof als enigszins ouderwets maar wel erg sympathiek. De woorden waren: „Dat je het verlies in de hemel terug mag vinden, Wim.”

De mogelijkheid van een dergelijk weerzien, hoe vaag en onzeker ook, haalt de angel er een beetje uit. Het meest onvoorstelbare aan doden is immers dat ze echt helemaal dood zijn, en de aanvechting om op dit punt te gaan marchanderen is onweerstaanbaar.

Behalve persoonlijk gemis komt er ook nog een reflectie bij over de aard van de hele onderneming. Als dood echt dood is dan vraag je je af wat het verschil is tussen dood zijn en helemaal niet geleefd hebben? Better to have loved and lost than not to have loved at all. O ja? Wat maakt het uit?

Wat niet helpt in deze contreien is de constatering dat persoonlijke doodsoverleving weinig betekende voor de Grieken, of in het Oude Testament, of bij Boeddha. Het kan een provinciale pijn zijn, maar het blijft pijn.

Ik geloof dat de reacties op de ontdekkingen van collega Van Lommel in de regio van bijna-doodervaringen (BDE), goed verklaarbaar zijn in dit licht. Hij ontmoet minachtende afwijzing en dankbare aanvaarding. Collega Renckens van de anti-kwakkerij noemt Van Lommel ’een gemankeerde profeet met een premorbide kwakzalverspersoonlijkheid’ terwijl een predikant hem schreef: „uw boek legt een vloertje onder mijn geloofsvertrouwen.”

Collega Renckens is pissig omdat van Lommel een oude verwarring lijkt op te graven waar we vanaf hoopten te zijn, het idee van een lichaamloze ziel. Maar de predikant is juist dankbaar voor Van Lommels poging om een stoel te vinden voor de ziel die het zonder een lichaam redt. Want als de ziel het zonder lichaam kan, zo is de gedachte, dan hoeven we nooit echt dood te gaan. Hoera!

En hééft van Lommel de lichaamloze ziel ontdekt? Zijn betoog gaat zo: we gaan er even vanuit dat hersenen bewustzijn produceren, al weet niemand hoe. Leg mij dan maar eens uit hoe hersenen die nauwelijks, of misschien zelfs helemaal niet functioneren, een vorm van bewustzijn kunnen voortbrengen, die het normale bewustzijn zelfs lijkt te overstijgen?

Van Lommel zegt iets in de richting van: mijn tv hapert af en toe tijdens een uitzending, maar wat ik niet snap is dat ik de allermooiste programma’s krijg als het toestel echt bijna helemaal stuk is.

Als je het zo zegt snap ik het ook niet. Maar het is van het allergrootste belang in te zien dat de BDE altijd in terugblik verslagen wordt. Dat iemand in zijn droom met overledenen spreekt is net zo gewoon als regen. Waar ik echt voor mijn bed uit zou komen is een live rapportage waarin bijvoorbeeld de moeder van Natalee Holloway voor de camera in de microfoon zou zeggen: „Ik sta hier nu bij Natalee en vraag haar: ’zag je dan niet wat voor een nare jongen dat was, is?”’

Dit is letterlijk onvoorstelbaar, tenzij je Natalee een lichaam geeft, een gelaat, een stem, woorden, affijn de hele poppenkast die lichamelijk leven heet. BDE’s zijn doordrenkt met lichamelijkheid: ik zag, hoorde, voelde, de doden, mijn voorbije leven, de toekomst, prachtige landschappen etcetera.

Maar als je nou eens geen lichamelijke Natalee naast haar moeder zou plaatsen, maar alleen die moeder, en dat die dan ’praat’ met de on-lichamelijke Natalee? Kijk eens naar dit gedroomde tafereel. Wanneer zou je dan zeggen: „Verdomd, ze heeft contact met het dode meisje”?

Dat zou je zeggen als de overledene, of in Van Lommels gevallen, de uitgetredene, met informatie komt die hij alleen opgepikt kan hebben tijdens zijn uittreding, zoals bijvoorbeeld een kruis of een cirkel voor dit doel aangebracht bovenop de lamp in de operatiekamer, een teken dat de uitgetredene tijdens het rondzweven moeiteloos moet kunnen waarnemen.

Het is totnogtoe niet gelukt om, naast al die overledenen, onvergetelijke landschappen en eeuwige vergezichten, ook maar één lullig kruisje of cirkeltje tot dit hyper-bewustzijn te laten doordringen.

Natuurlijk niet, zegt de gelovige, want het gaat niet om banale tekentjes op lampen. Nou, weifelt de filosoof, wie zo’n kruisje niet eert, die kan het zicht op de eeuwigheid wel vergeten.

mailIcon print |