De computer begint aan zijn tweede halve eeuw. De ruim vier miljard bytes aan geheugen waar we ons nu nog mee behelpen, zijn weldra geschiedenis. Dankzij 64 nullen en enen wordt dat onnoemelijk veel meer, en dreigt Windows zijn oppermachtige positie te verliezen.
Het klinkt vreemd, maar de huidige pc’s kunnen over een paar jaar in principe allemaal naar de schroothoop. Niet omdat ze zo krakkemikkig zijn, maar omdat we steeds meer van ze eisen.
Wie nu een pc koopt, krijgt een ware krachtpatser. Hij heeft misschien een dubbele centrale processor, een harde schijf van vijfhonderd gigabyte (vijfhonderd miljard bytes) en een intern geheugen van twee gigabyte. Die dubbele processor en de enorme harde schijf lijken nu overdreven, maar ze zijn toch écht aan te raden voor wie de nieuwste versie van Windows, Vista, tot zijn recht wil laten komen.
Dit geheugen van twee gigabyte is een enorme uitbreiding vergeleken met dat van de eerste pc’s uit 1981 - met 16 tot 64 kilobyte (een kilobyte is duizend bytes) - en tweeduizend keer meer dan de pc’s van rond 1990. Die groei was nodig, om ’mooi en makkelijk met de muis’ te werken, met steeds meer foto’s en andere grote bestanden.
Gelukkig was die geheugenuitbreiding technisch ook mogelijk. Dat was te danken aan de overstap van zogeheten 8-bits chips naar 16-bits chips rond 1980, en naar de 32-bits variant ongeveer tien jaar later. Dit aantal bits bepaalt goeddeels hoe groot het chipgeheugen van een pc kan zijn.
De eerste generatie pc’s uit de jaren tachtig kon maximaal één megabyte intern geheugen aan. Voor bedrijven werd dat al snel te weinig en dus stimuleerden zij de komst van de 32-bits computer. Omdat computers digitaal zijn en dus volgens het tweetallige stelsel werken, kan deze processor maximaal 2 tot de macht 32 aan geheugenadressen aan. Dat zijn er 4,3 miljard, ofwel 4 gigabyte. Dat leek eind jaren tachtig genoeg voor vele decennia. Meer konden fabrikanten van geheugenchips bovendien niet tegen een redelijke prijs leveren.
Alleen, bij zoveel geheugen schoot het besturingsprogramma MS-Dos tekort. Dat kan namelijk maximaal één megabyte aan. Bij een 32-bits computer moest dus ook een 32-bits besturingssysteem komen. IBM en Apple hadden dat, maar Microsoft won de strijd met Windows.
De bovengrens van 4 gigabyte leek ruim bemeten, maar in de computerwereld ontwikkelt zich veel volgens de zogeheten Wet van Moore. Gordon Moore, topman van Intel, voorspelde in 1965 dat het aantal transistors op een chip elke anderhalf jaar zou verdubbelen. Dat bleek behoorlijk goed ingeschat, ook al zou hij daar later ’elke twee jaar’ van maken. Zijn wet gaat echter niet alleen op voor transistors op een chip. Ook de capaciteit van harde schijven, bijvoorbeeld, verdubbelt ongeveer elke anderhalf jaar, soms zelfs sneller dan dat. Zo’n verdubbeling zie je ook bij de snelheid waarmee we zaken van het internet downloaden.
Voor het interne geheugen van pc’s blijkt de wet eveneens een prima voorspeller, zo ontdekten de Amerikaanse automatiseringsdeskundigen Eric Raymond en Rob Landley in 2003. In 1987 hadden professionele gebruikers voor het eerst pc’s met een intern geheugen van één megabyte. Verdubbel dat elke anderhalf jaar en je komt op 4 gigabyte in 2005, de bovengrens van 32-bits systemen. De professionele gebruikers gingen toen al naar meer verlangen, vooral door de almaar groeiende omvang van databestanden. Sinds twee jaar zijn er daarom nu al 64-bits pc’s met meer dan 4 gigabyte aan chipgeheugen.
Een andere regelmaat die Raymond en Landley ontdekten, was dat consumenten-pc’s consequent drie jaar achterlopen op professionele systemen. In die drie jaar komt de massaproductie van nieuwe processors en grotere geheugenchips op gang, zodat de krachtiger pc’s betaalbaar worden voor de consument.
Als die wijsheid nog altijd opgaat, dan zullen de eerste consumenten dus drie jaar na 2005, dus mogelijk al dit jaar, 64-bits computers kopen. Mede dankzij Windows Vista zit er sinds begin 2007 al 2 gigabyte aan geheugen in standaard consumenten-pc’s. Nog één keer een verdubbeling, nog één keer anderhalf jaar, en ook de consument zit met zijn computer aan de 4 gigabyte, waarmee de 32-bits voorgoed verleden tijd zijn.
Dat betekent dat die consumenten dan ook een 64-bits besturingssysteem nodig hebben en daarop aangepaste software. Je koopt immers geen computer met 8 of 16 gigabyte aan geheugen om daar dan maar 4 gigabyte van te gebruiken.
De vorige overgangen naar een nieuwe generatie processors leverden telkens een geheel nieuw besturingssysteem op. De 8-bits computers werkten op het programma Basic, bij de 16-bits pc was het MS-Dos en op de 32-bits machines staat nu al jaren Windows. De vraag is nu wat de opvolger van Windows zal zijn.
De meest voor de hand liggende keuze lijkt uiteraard een 64-bits variant van Windows. Microsoft heeft al een 64-bits versie van Vista en wat is er straks makkelijker dan overstappen op iets nieuws dat erg veel lijkt op het oude en vertrouwde? Microsoft heeft bij de overstap van 16 naar 32 bits bewezen dat het goed was in het omzetten van zijn oude monopolie met MS-Dos in een nieuw monopolie met Windows. Tal van populaire Microsoft-programma’s, zoals het Office-pakket, draaien bovendien het best op Windows.
Zo vanzelfsprekend hoeft dat echter niet te zijn. Zo zijn China en India inmiddels twee heel belangrijke computermarkten geworden. Als ’Windows-64’ de nieuwe standaard wordt, zullen die landen Microsoft jaarlijks miljarden moeten betalen voor Windows-licenties.
Bovendien is het nog maar de vraag of Windows wel het beste besturingssysteem voor de nieuwe generatie pc’s is. Er is erg veel kritiek op Vista. Die betreft weliswaar de 32-bits versie, maar dat schept geen goede voedingsbodem voor een enthousiast onthaal van de 64-bits variant.
Ondertussen verruilt Linux na vijftien jaar eindelijk het imago van ’grote belofte’ voor dat van ’zeer bruikbaar voor de consument’. Linux verschijnt in steeds meer consumentenapparaten, zoals videorecorders en slimme mobiele telefoons, waardoor de consument er vertrouwd mee raakt. Voor de pc is de Ubuntu-variant recent zeer positief ontvangen door toonaangevende kranten als de Financial Times en Wall Street Journal.
Naast Windows en Linux kan ook MacOS van Apple, dat voor een deel dezelfde basis (Unix) heeft als Linux, een goed alternatief worden voor de nieuwe pc-generatie. Maar Apple lijkt zich de afgelopen jaren meer op zijn iPod en iPhone te hebben geconcentreerd. En voor Apple geldt hetzelfde nadeel als voor Windows: China en India gaat het miljarden aan licenties kosten als een van die twee systemen de nieuwe standaard wordt. Voor die landen, en voor vele andere, is Linux - dat gratis is - daarom waarschijnlijk de grote favoriet.
Linux heeft dan nog wel werk te doen. Want terwijl professionele gebruikers volgens Raymond bepalen wanneer krachtiger computers nodig zijn, bepalen consumenten welk besturingssysteem daar op moet werken. En dus moet dat zo gebruiksvriendelijk mogelijk.
Volgens Landley en Raymond zal de winnaar snel bekend zijn, namelijk degene die snel een voorsprong weet op te bouwen. Consumenten zijn namelijk geneigd een winnaar te volgen, waardoor er voor die winnaar vanzelf meer toepassingen worden ontwikkeld dan voor de volgende partijen in de ranglijst.
De keuze van de consumenten wordt belangrijker dan ooit. Het zal 32 verdubbelingen duren – in het huidige tempo dus 32 keer anderhalf jaar, ofwel een halve eeuw – voordat ook het 64-bits systeem aan zijn einde komt. De eerste ’moderne’ computer met transistoren en een besturingsysteem verscheen zo’n vijftig jaar geleden. We beginnen nu aan de tweede vijftig jaar. Al die tijd zal de toon worden gezet door een systeem dat binnen een jaar wordt gekozen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.