In twaalf maanden tijd is de kritiek op de Nederlandse aanpak in Afghanistan 180 graden gedraaid. Ooit waren we ’te slap’; nu zijn we juist ’te weinig subtiel’. Klopt er iets van die kritiek?
Het kan verkeren. Een jaar geleden klonk harde kritiek op de Nederlandse aanpak in Uruzgan. De ’Dutch approach’ zou te voorzichtig zijn, tekenden Canadese, Australische en Amerikaanse media op uit de mond van politici en militairen. De Nederlanders zouden de taliban veel harder moeten aanpakken en hen niet zoveel bewegingsvrijheid moeten gunnen.
Een jaar later is de kritiek precies omgekeerd. De Amerikaanse minister van defensie Robert Gates verwijt Europese Navo-troepen in het zuiden van Afghanistan een gebrek aan subtiliteit bij het aanpakken van het verzet. Ze zouden een strategie hanteren uit Koude Oorlogstijden, zei hij in een interview met de Los Angeles Times.
Dat viel slecht bij Navo-bondgenoten. Gisteren trok Gates de kritiek schielijk in, maar inhoudelijk blijven zijn bezwaren overeind staan.
Aangezien in Zuid-Afghanistan slechts vier grote niet-Amerikaanse spelers zijn, is het duidelijk dat de kritiek op de Nederlanders is gericht – hoe hard dat ook wordt ontkend. De Canadezen en Australiërs zijn immers geen Europeanen, en de Britten gelden al jaren als experts op het gebied van guerrillabestrijding, met veel praktijkervaring in Noord-Ierland en voormalige koloniën. In Irak bewezen de Britten volgens veel kenners opnieuw hun deskundigheid op dit vlak.
Militair expert Kees Homan van het Instituut Clingendael begrijpt niets van de uithaal van Gates. „Het is ongepast, zo ontactisch en ondiplomatiek. Dan heb je niet in de gaten wat er in Europa speelt. We hebben net een moeilijke discussie over verlenging achter de rug, en afgelopen weekeinde zijn weer twee militairen gesneuveld.” Volgens Homan volgt Nederland bij uitstek de nieuwe Amerikaanse doctrine voor het aanpakken van guerrillaopstanden, ook wel de Petraeus-doctrine genoemd - naar de Amerikaanse generaal die sinds begin dit jaar met extra troepen probeert het geweld in Irak terug te dringen. Het zwaartepunt in deze doctrine ligt erop, vertrouwen te winnen van de bevolking – en niet op grootschalige operaties tegen de vijand. Door jarenlange ervaring met (vredes)missies in allerlei conflictgebieden hebben Europese landen, Nederland incluis, al lang ervaring met opstandige groepen.
Andere defensie-experts bevestigen de visie van Homan. Dat Petraeus met zijn inzichten als commandant in Irak furore kon maken, zegt volgens hen meer over de Amerikaanse benadering dan over een vermeend gebrek aan training van ’Europese’ troepen. „Amerikanen werkten tot dat moment toch vaak volgens het principe ’Shoot first, think later’ (Eerst schieten, dan pas nadenken). Als een generaal dan pleit voor armed social work (bewapend sociaal werk), is dat een revolutie”, reageert één van hen.
Sarah Chayes, een journaliste die al sinds 2001 in Afghanistan verblijft en over het onderwerp deze zomer een artikel schreef in The New York Times, ziet de bewijzen daarvoor ook in Afghanistan zelf. De Navo-troepen die na 2005 naar Zuid-Afghanistan kwamen, zijn juist veel meer dan de Amerikanen bezig om zichzelf goed te scholen in lokale gebruiken en gevoeligheden, omgang van plaatselijke leiders en de noodzaak van wederopbouw. Ook is er veel continuïteit in de Navo-aanpak, terwijl de Amerikaanse aanpak wisselt als er nieuwe officieren arriveren. Chayes constateert dat zij en andere Afghanistan- experts vaak door de Navo gevraagd worden om aan verse troepen uitleg te geven over de lokale situatie, terwijl de VS-troepen haar zelden om advies vragen.
In het artikel in de Los Angeles Times komt de meer gedetailleerde uitwerking van de kritiek niet van Gates, maar van allerlei anonieme Amerikaanse functionarissen. Zij verwijten de (Europese) Navo-troepen te vaak zware wapens en luchtbombardementen te gebruiken, te weinig te patrouilleren buiten de bases, te weinig de Afghaanse troepen erbij te betrekken en in zijn algemeenheid te weinig maatwerk te leven, zoals de Petraeus-doctrine vereist. Volgens hen bewijst het oosten van Afghanistan – waar vooral VS- troepen zitten en waar het relatief rustig is – dat de Amerikaanse aanpak wél werkt.
Op dat laatste valt wel wat af te dingen. Het midden en zuiden van Afghanistan vormen, veel meer dan het oosten, de traditionele haard van verzet. „Dat is ook het gebied van de pasjtoen, de groep waaruit de meeste talibanstrijders voortkomen”, zegt Clingendael-expert Homan. Het is de regio waar een taliban-leider als mollah Omar vandaan komt en die direct toegankelijk is vanuit Pakistan, waar de strijders kunnen uitrusten. In het artikel in de Los Angeles Times verwijten bronnen bij de Navo de Amerikanen juist dat ze de regio te veel aan zijn lot hebben overgelaten na het wegvagen van het taliban-bewind, eind 2001. Doordat Washington er te weinig troepen legerde in de jaren daarna, heeft het verzet zich in het zuiden kunnen opbouwen, totdat de VS in 2005 in arren moede de Navo om hulp vroegen. Zelf zat het Amerikaanse leger toen namelijk vast in Irak.
Ook het huidige gebrek aan grondtroepen valt moeilijk te verwijten aan de landen die nu al in het zuiden van Afghanistan zitten. Afgelopen najaar brak heibel uit binnen de Navo toen bleek dat juist andere landen - zoals Duitsland - niet bereid waren extra gevechtskracht te leveren voor de Isaf-missie in het zuiden.
Datzelfde geldt voor de kritiek dat er te weinig met Afghanen wordt samengewerkt. Nederland vraagt, net als de Britten en de Canadezen, geregeld om extra Afghaanse steun, maar moest lang constateren dat die steun uitbleef of dat de troepen niet voldoende opgeleid waren om een substantiële bijdrage te leveren aan het veilig houden van een gebied dat door Navo-troepen was veroverd. Toch blijft Nederland in Uruzgan zwaar inzetten op het trainen en begeleiden van het Afghaanse nationale leger. Inmiddels zijn ruim tweeduizend Afghaanse militairen naast Kamp Holland neergestreken om te worden opgeleid. Bij acties tegen anti-westerse strijdgroepen zijn steevast Afghaanse eenheden betrokken, zoals afgelopen weekeinde in Deh Rawod.
Het meeste hout snijdt de kritiek dat er te weinig gepatrouilleerd wordt en te veel gebombardeerd. „Het één volgt direct uit het ander”, zegt Homan. „Inzet van zware wapens is nodig omdat er te weinig grondtroepen zijn.” Dat geldt ook voor Nederland. Er zijn weliswaar ruim 1500 Nederlandse militairen in Uruzgan gelegerd, maar daarvan is slechts eenderde beschikbaar voor gevechtsacties. Er zijn te weinig militairen om de drie ’inktvlekken’ (Tarin Kowt, Deh Rawod en Chora) veilig te stellen, laat staan uit te breiden. Daardoor lopen Nederlandse troepen noodgedwongen vaak achter de feiten aan. Strijdgroepen kunnen zich ongemerkt weer in een gebied nestelen en kunnen daar alleen met fors militair geweld uit worden verdreven.
Dat kwam de Nederlanders onder meer op zware kritiek te staan na de slag om Chora in juni vorig jaar. Daar bleken toen zestig tot zeventig burgerdoden bij te zijn gevallen, volgens de VN en de Afghaanse president Karzai voor het merendeel door de Nederlandse inzet van zware wapens. „Je opent niet het vuur op dertig kilometer afstand van het doel”, zei Karzai toen. „Daarmee maak je vrijwel zeker slachtoffers onder de burgerbevolking.”
De commandant van de Navo-troepenmacht in Afghanistan, generaal Dan McNeill, noemde de beschieting zelfs in strijd met het oorlogsrecht, omdat Nederlandse militairen onvoldoende hadden waargenomen of burgers daarbij gevaar liepen.
In september waren Nederlandse grondtroepen opnieuw betrokken bij zware gevechten, ditmaal in Deh Rawod. Ook daarbij vielen door bombardementen en beschietingen tientallen burgerdoden.
Binnen de Nederlandse krijgsmacht groeit de zorg over burgerdoden als gevolg van gevechtsacties. Nog los van humanitaire overwegingen, beseft men dat het alleen al om tactische redenen essentieel is om burgerdoden te vermijden en de sympathie van de bevolking niet te verspelen.
Maar ook de Amerikanen grijpen nog steeds geregeld naar het middel van de zware beschietingen. Zo constateert Homan dat Nederlandse gevechtsvliegtuigen ook bombardementen uitvoeren ter ondersteuning van de Amerikanen. Precieze gegevens heeft hij niet, maar hij heeft geen indicatie dat de Amerikaanse strategie in dat opzicht fundamenteel anders is dan de Nederlandse. Een Europese Navo-functionaris, geciteerd in de Los Angeles Times, stelt zelfs dat de cijfers uitwijzen dat de Amerikanen net zo vaak zware wapens inzetten en bombardementsvluchten uitvoeren als niet-VS troepen in Afghanistan.
Dat blijkt ook in Irak, waar Petraeus zijn doctrine persoonlijk kan uitvoeren. Gisteren werd bekend dat de Amerikanen daar vorig jaar vijf maal zoveel luchtaanvallen hebben uitgevoerd als het jaar ervoor.
De kritiek van Gates is dan ook onderdeel van een permanent spelletje zwarte pieten tussen de betrokken partijen in het Afghanistan-conflict. „Het grootste probleem is dat de Navo geen niet een eenduidige visie heeft op de aanpak van opstandelingen in dat land”, zegt Homan. Zolang die eenduidige visie er niet is, of niet goed wordt uitgevoerd, zal dit soort kritiek blijven opduiken. Of die nu steekhoudend is of niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.