*

 

afrekencultuur / Aan de schandpaal van de inquisitiedemocratie

Ruud van Heese − 07/02/08, 01:20

Wetenschappers maken zich zorgen over de verbetenheid waarmee het gedrag van bestuurders wordt uitgelicht. In wat zij de inquisitiedemocratie noemen, zijn die bestuurders vogelvrij.

Eerst ging het in Almere om ritjes met de dienstauto en taxi’s. Toen dat was weerlegd, doken er berichten op over een ten onrechte uitgekeerde bijdrage in de woonkosten. Het gedrag van bestuurders ligt onder een maatschappelijke microscoop.

Natuurlijk kent zo’n baan voldoening en triomf. Een project dat met succes is voltooid, applaus, een klinkende verkiezingsoverwinning. Maar schaduwzijden zijn er ook. Van de ene dag op de andere kan de politieke situatie veranderen en sta je ernaast. En dan is er nog het risico van bedreigingen, en de berichten over bestuurlijk falen, seksuele escapades en misbruik van gemeenschapsgeld.

Affaires met bestuurders, en publiciteit daarover, zijn van alle tijden. Ook Abraham Kuyper kreeg er honderd jaar geleden al mee te maken. In ’Het boetekleed ontsiert de man niet’ beschrijft Jan de Bruijn hoe de voorman van de gereformeerden hoofdrolspeler werd in de zogenoemde ’lintjesaffaire’. Als partijvoorzitter accepteerde Kuyper van tabakshandelaar Lehmann aanzienlijke bijdragen aan de kas van de ARP. Als minister adviseerde hij door tussenkomst van de jonge Mathilde Westmeijer (van wie werd gefluisterd dat ze Kuypers maîtresse was) hoe Lehmann in aanmerking zou kunnen komen voor de door hem vurig begeerde én ook ontvangen koninklijke onderscheiding.

Berichtgeving over de kwestie in de socialistische krant Het Volk maakte de ’lintjesaffaire’ tot een nationaal schandaal waarover de Tweede Kamer in 1910 vier dagen debatteerde. Kuyper, die wel wist dat hij zichzelf in de problemen had gewerkt, kwam er niet goed uit. Tegenover een onderzoekscommissie gaf hij nog wel wat uitleg, maar veel schoof hij af op een tekort schietend geheugen.

Nee, dan hebben bijna honderd jaar later Annemarie Jorritsma en Adri Duivesteijn de kwestie heel anders aangepakt. Deze week hebben zij op eigen initiatief opening van zaken gegeven over de ritjes die zij als burgemeester en wethouder van Almere hebben gemaakt met de gemeentelijke dienstauto en met taxi’s. Bovendien vroeg Duivesteijn nadrukkelijk het vertrouwen van de raad en trad hij even terug als wethouder. Die actie was hun antwoord op de anonieme brief van Almeerse ambtenaren aan gemeentesecretaris Arnold. Volgens de briefschrijvers smeten Jorritsma en Duivesteijn op ’schokkende’ wijze met gemeenschapsgeld. Maar raadsleden die de rittenstaten hebben kunnen vergelijken met de agenda’s van beide bestuurders zeggen dat er niets aan de hand is.

De Almeerse kwestie is het jongste voorbeeld in een lange reeks waarbij niet het beleid van bestuurders in het geding is maar hun gedrag. Raadsleden hebben Jorritsma en Duivesteijn weliswaar vrijgepleit, ze moeten maar hopen dat in de hoofden van burgers niets blijft hangen van gesjoemel met ritjes. Dat het moeilijk is om van een eenmaal gevestigde ongunstige reputatie af te komen, weet de onlangs met een borstbeeld bedachte Willem Aantjes maar al te goed. Lang heeft hij moeten knokken tegen het door Lou de Jong aangedragen, onjuiste beeld, dat hij lid zou zijn geweest van de Waffen SS.

Wetenschappers maken zich al een tijdje zorgen over de felheid waarmee gedragingen van bestuurders worden uitgelicht. Kritische distantie lijkt verruild voor stelselmatig wantrouwen dat functionarissen in het openbaar bestuur vogelvrij maakt. In het boek ’Verbroken verbindingen’ beschrijven de bestuurskundigen Paul ’t Hart en Mark Bovens de opkomst van wat zij betitelen als de ’inquisitiedemocratie’, waarin ondanks alles wat wel goed gaat, burgers het vertrouwen in het openbaar bestuur geheel en al dreigen te verliezen.

Hoewel affaires van alle tijden zijn, zie Kuyper en de lintjesaffaire, nemen ’t Hart en Bovens waar dat de frequentie toeneemt. Journalisten die willen scoren, handige belangenbehartigers en volksvertegenwoordigers die zich wensen te profileren spelen in die inquisitiedemocratie met grote overgave de rol van aanklager, en doen die van rechter er vaak ook meteen maar bij. Volgens de beste populistische traditie wordt elke ramp uitgelegd als jammerlijk falen van bestuurders die het contact met de gewone burger allang hebben verloren, die de ene onbegrijpelijke beslissing op de andere stapelen en er maar een rommeltje van maken. De moordende concurrentie tussen de media tenslotte is een aanjager voor haastwerk en vormt een bedreiging voor tijdrovende, diepgravende onderzoeksjournalistiek, die weet te accepteren dat wat zich liet aanzien als een grote zaak bij nader onderzoek niets voorstelt.

In zo’n klimaat, waarin ze bij het minste of geringste aan de schandpaal kunnen worden genageld, ontwikkelen bestuurders uiteenlopende methoden om te overleven. Niet reageren is er één van, onder het motto dat wie geschoren wordt stil moet blijven zitten. De toevlucht zoeken in overdreven maatregelen is een andere. En een derde mogelijkheid is de zelfbewuste aanval. Voor die aanpak hebben Jorritsma en Duivesteijn gekozen. Onder het motto ’Wij hebben niets te verbergen, kijk zelf maar’ hebben zij rittenstaten en afsprakenboeken overgelegd, zodat de raadsleden precies konden nagaan wanneer de burgemeester en de wethouder zich waar bevonden en, in dit geval belangrijker, hoe ze daar waren gekomen.

Niet dat het ’vergrijp’ waarmee Jorritsma en Duivesteijn in de publiciteit zijn gekomen ook maar in de verste verte lijkt op wat zich vorig jaar in de fietsenkelder van het Nijmeegse stadhuis heeft afgespeeld. Maar met hun actie doen de twee Almeerse bestuurders qua zelfbewustheid niet onder voor de Nijmeegse wethouder Paul Depla. Alleen: die weigerde juist categorisch iedere uitleg tegenover de gemeenteraad. „Ik heb naast de politiek ook recht op een privéleven waar anderen niets mee te maken hebben”, zei hij tijdens de raadsvergadering waar zijn belevenissen met een vrouwelijk raadslid in de fietsenkelder op de agenda stonden, en de meerderheid van de raad accepteerde die verklaring.

Minstens zo zelfbewust, volgens sommigen zelfs ronduit hautain, was de reactie van Eveline Herfkens, de oud-minister voor ontwikkelingssamenwerking, die onlangs in opspraak kwam vanwege haar arbeidsvoorwaarden bij de VN-organisatie UNDP. In de eerste publicaties werd zij neergezet als grote graaier, voor iemand van PvdA-huize helemaal een doodzonde. Daarna bleek de zaak toch wat genuanceerder te liggen. Het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken bleek minstens zo ’schuldig’ door een verkeerde toepassing van de regels. Dat foutje pakte weliswaar uit in het voordeel van Herfkens, maar het is nog maar de vraag of zij van de fout op de hoogte was, laat staan of zij ook op voordeel uit was. Niet uitgesloten is dat Buitenlandse Zaken jegens veel meer in het buitenland werkende Nederlandse functionarissen eenzelfde handelswijze heeft gevolgd.

Glijdt alle verontwaardiging in Nederland misschien nog tamelijk makkelijk af van de in de Verenigde Staten wonende Herfkens, voor wethouders als Adri Duivesteijn en Paul Depla ligt dat anders. Zij komen iedere dag de burgers van Almere en Nijmegen tegen. Dat moeten bestuurders maar bedenken voordat ze gedrag vertonen, waarmee ze het risico lopen dat ze aan de schandpaal worden genageld, zou je kunnen zeggen. Dat was vroeger niet anders. Ook Kuyper had destijds beter kunnen nadenken. Maar er is sinds die tijd wel iets veranderd. Kuyper mocht ervan uitgaan dat hij vertrouwen genoot, totdat het tegendeel bleek. In de inquisitiedemocratie van vandaag de dag lijkt het er meer en meer heen te gaan dat politici nadrukkelijk om vertrouwen moeten vragen.

mailIcon print |