Hoe houd je een ambtenarenkorps op peil dat vergrijst, blootstaat aan snelle veranderingen en concurreert om schaars personeel? De overheid zoekt de landsdienaren van de toekomst.
„Als je binnen bent, dan ben je binnen.” Gelach stijgt op uit de zaal bij de uitspraken van een student die beschrijft wat aantrekkelijk is aan een baan als ambtenaar. Maar net als werknemers in het bedrijfsleven, zijn ook ambtenaren niet meer zeker van een baan voor het leven.
Ambtenaren moeten dat ook helemaal niet willen, vinden de deskundigen op het congres ’Ambtenaar van de Toekomst’. Trendwatcher Adjiedj Bakas ging terug in de geschiedenis om duidelijk te maken dat ’landsdienaren’ midden in het leven moeten staan. Rond 1900 waren er veel klachten over het openbaar vervoer. Het betrof toen de paardentrams. De dieren zorgden voor zoveel uitwerpselen dat trams bij het opruimen vertraging opliepen. Ambtenaren vonden er iets op: de paardenluier. Er werd zelfs een speciaal verwerkingsbedrijf gestart. Enkele jaren later was het overbodig: de auto deed zijn intrede.
Bakas schetst hoe ambtenaren nu rekening moeten houden met steeds snellere technologische en maatschappelijke veranderingen. Buigen ze zich over windmolens, dan heeft Wubbo Ockels al enorme vliegers ontworpen die drie keer zoveel energie leveren. De worsteling met verkeer en milieu op Schiphol? Straks zijn er schone reuzentoestellen die in de lucht blijven hangen. We kunnen opstappen met kleine vliegtuigjes. Zijn aanbeveling: zorg dat ambtenaren regelmatig van baan switchen, ook naar bedrijfsleven en terug, om voeling te houden met die maatschappij.
Ze zijn er overigens nog wel, (jonge) mensen die zekerheid zoeken in het ambtenaarschap. Maar het is een uitstervend ras, blijkt uit onderzoek van Research voor Beleid in opdracht van Binnenlandse Zaken. De toekomstige ambtenaar komt met nieuwe verwachtingen en een andere werkhouding binnen. Hij is resultaatgericht, wars van formele, hiërarchische procedures en wil erkenning van zijn kwaliteiten. Dat betekent een breuk met de huidige werkwijze van overheidsbureaucratieën, menen de onderzoekers. De overheid krijgt veel meer trekken van een ’gewoon bedrijf’ en de ambtenaar die van een ’gewone’ professional. Toch blijven ze iets aparts houden, als het aan minister Guusje ter Horst van binnenlandse zaken ligt (zie kader hieronder).
De drang naar veranderingen is er al en komt ook van binnenuit. Jongeren en ouderen organiseren zich binnen ministeries om af te dwingen dat ze met hun tijd mee kunnen gaan. Gemeenten, zoals Hardenberg, experimenteren met uitwisseling tussen bedrijfsleven en ambtenaren om ’van elkaar te leren’. De top van het ministerie snuffelt bij uitzendconcern Randstad.
De doorsneeambtenaar is niet meer die witte man van rond de veertig in een baan van negen tot vijf. Onder invloed van de feminisatie – bijna de helft van de ambtenaren is vrouw, in het bedrijfsleven 37 procent – werden werktijden flexibel, werkt men vaker thuis en in deeltijd. Vaker, minder dan gewenst, heeft overheidspersoneel een allochtone achtergrond: nu rond de 5,7 procent. De inrichting van het werk gebeurt meer op projectbasis. Inhoudelijk schuift het op naar vraagstukken op Europees en lokaal niveau.
Het vermogen om op alle veranderingen in te spelen, zal in belangrijke mate de aantrekkingskracht van de overheid als werkgever bepalen, betoogden deskundigen op het congres. De overheid heeft daarbij één troef: de toewijding aan de publieke zaak. Dat is de grootste gemene deler van de ambtenaren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.