Het Zuiderzeemuseum blijft niet langer stilstaan bij de tijd tot 1932, maar haalt ook heden en toekomst binnen.
Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen trok vorig jaar een kwart miljoen bezoekers, 30.000 meer dan het jaar er vóór. Geen slechte score dus. „En toch is het nog geen twee procent van de Nederlandse bevolking”, zegt directeur Erik Schilp. Om meteen te vervolgen met: „We moeten het anders doen.”
Dat proces van verandering is al in gang gezet. Het Zuiderzeemuseum (ZZM) moet een modern museum worden dat thema’s van nu presenteert in een context van vroeger. Het heeft een punt gezet achter zijn bestaan als cultuurhistorisch museum. „Het is mooi geweest”, schreef Schilp oktober vorig jaar in Land of Water, tijdschrift voor de toekomst, het huisblad van het museum. „Tijd voor iets nieuws. Want elk moment in het nu is straks al verleden tijd. Dus: de geschiedenis is dood: leve de geschiedenis.”
Dat moet volgens hem de slogan zijn van het museum, dat na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 werd opgericht om de traditionele Zuiderzeecultuur te bewaren. Het ZZM heeft zich altijd consequent aan zijn opdracht gehouden en de periode van 1880 tot 1932 in beeld gebracht. De streep lag op 28 mei 1932, toen het laatste gat van de Afsluitdijk werd gedicht en de Zuiderzee in feite geen zee meer was. Huisjes en andere panden in het Buitenmuseum mochten dateren van vóór 1880, maar de einddatum was onverbiddelijk. Hetzelfde gold voor de objecten die in het Binnenmuseum tentoon werden gesteld.
„Dus niets van na 1932”, zegt Schilp. „En dat is heel onnatuurlijk, kunstmatig. Want over het thema dat je als museum gekozen hebt, wil je toch vertellen tot op de dag van gisteren?” Voor historici en conservatoren is zo’n begrenzing gemakkelijk, maar voor het publiek minder boeiend, vindt hij. „Hoe verder een cultuur van je af staat, hoe minder herkenning en beleving je als museum kunt realiseren. Bovendien is het water van de Zuiderzee nog steeds hetzelfde water. De mensen, de dorpen en de steden, en de paar overgebleven vissen zijn nog steeds verbonden met hun verwanten van voor 1932. Het trekken van een streep in de tijd doet die tijd niet stilstaan.”
Wat betekent dat voor het museum van morgen? Schilp: „We gaan ons niet alleen meer bezighouden met het verleden van de Zuiderzee, maar ook met de toekomst van de polders, met de ruimtelijke ordening van laag Nederland, met het beheer van het IJsselmeer en de Waddenzee, en met de recreatie. We willen natuurlijk het verhaal van Holland, van land en water vertellen, maar ook de Hollandse cultuur van de strijd tegen het water laten zien. Alleen, met zoveel mogelijk afwisseling , steeds weer iets nieuws. Het waren altijd prachtig plaatjes, en die moeten we blijven vasthouden. Maar niet als een platte ansichtkaart, wat een museum op het eerste gezicht is, maar meer als een adventskalender waarin je steeds weer een ander plaatje of deurtje kunt openmaken. Het moet je verrassen.”
Het ZZM heeft altijd een sterke relatie gehad met de regio; dat is al minder geworden. Was aanvankelijk zelfs 95 procent van de bezoekers afkomstig uit de streek, op dit moment woont een op de twee bezoekers in de regio. Een op de drie komt uit de rest van Nederland. In het vernieuwde museum moet iedere Nederlander minstens één keer in zijn leven ’zijn geweest, vindt Schilp. Bovendien wil hij meer internationale erkenning voor zijn museum. „Via gerenommeerde kunsttijdschriften moeten we buitenlanders ervan zien te overtuigen dat ze dit museum gezien moeten hebben.” Twee keer per jaar zit hij zelf in de Verenigde Staten om zijn museum te promoten.
Willen de musea de aansluiting op de nieuwe generaties behouden, dan moeten zij volgens hem aan de slag. Moderne technologie en nieuwe internetconcepten moeten een grotere rol spelen in het denken over het museum in de moderne tijd. Een museum moet in zijn visie ook kunnen ophouden te bestaan. „Er zijn nieuwe concepten nodig. Er moet een verbinding gelegd worden tussen de oude werkelijkheid van het traditionele museum en een nieuwe werkelijkheid van museale beleving.”
Het Zuiderzeemuseum is niet langer een cultuurhistorisch museum meer, maar ook een kunstmuseum, waarin beeldende kunst een veel grotere rol krijgt. Het ZZM is in de gelukkige omstandigheid dat het met 15 hectare een zee van ruimte heeft, bijvoorbeeld in het natuurgebied op de landtong die het IJsselmeer insteekt. Daar wil Schilp een kunsttuin van maken om tuinliefhebbers en liefhebbers van buitenkunst en architectuur naar Enkhuizen te lokken.
„Elke twee jaar moet er een nieuw paviljoen komen om ook een heel andere doelgroep te bereiken. Als directeur van een museum opereer je altijd op een snijvlak: hoe behoud ik m’n vaste klanten en hoe krijg ik er nieuwe bij? Die laatste vraag weegt nu zwaarder dan vroeger. Je moet vooruitzien. Kijk, iemand van zeventig zal denken: die aandacht voor de periode van 1880 tot 1930, daar is niks mis mee. Maar iemand van vijftien zal die geschiedenis weinig zeggen. Jonge mensen weten toch niet meer wat de Zuiderzee voor ons land betekende? Zij snappen niet hoe belangrijk de aanleg van de Afsluitdijk was voor de mensen, de industrie en het landschap langs de Zuiderzee.”
Schilp, die voor zijn komst naar Enkhuizen jarenlang in het buitenland heeft gewerkt wil in het ’museumpark’ – hij bedoelt het Buitenmuseum –- een verbinding maken tussen de ambachtelijkheid die in de oude pandjes werd bedreven en die je tegenwoordig ziet. „Ik bedoel daarmee dat je de producten van toen – bijvoorbeeld de bloempiramides van Delfts blauw uit de 18de-eeuwse ateliers van Koninklijke Tichelaar uit Makkum – verbindt met wat hedendaagse ontwerpers als antwoord daarop geven.”
In het Binnenmuseum, dat gevestigd is in oude gebouwen van de Oostindische Compagnie aan de Wierdijk, moeten steeds vaker wisseltentoonstelling komen. „De vaste expositie stond er soms al twintig jaar. Negentig procent van onze objecten ligt in depot. Dat is toch zonde? Die worden alleen mooier als je met hedendaagse voorwerpen vergelijkt. Zoals keramiek, juwelen, scheepsmodellen of kleding. Je wilt toch zoveel mogelijk van je collectie laten zien? Daarom hebben wij mode van Victor en Rolf aangekocht, om die te kunnen vergelijken met de klederdracht van de Zuiderzee. Als je die link tussen heden en verleden niet maakt, maar je alleen focust op het verleden, dan zul je de zaak op termijn moeten sluiten.”
Het ZZM gaat delen van de collectie afstoten, als die beter op hun plaats zijn in andere musea. Bijvoorbeeld omdat daar meer expertise is. Zo gaat de collectie die herinnert aan de Nederlandse walvisvaart naar het Nederlands Scheepvaartmuseum. Het Enkhuizer museum zal zich bij zijn aankopen meer richten op de periode na 1932.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.