Een kennis van me zag door zijn raam twee schepnetten en een stok boven het riet uitsteken. Hij dacht: die gaan zeker met schoolkinderen beestjes vangen in de sloot. Maar vanwege die stok ging hij toch even kijken. Het waren drie vrouwen van een jaar of 50.
Een ander verklaarde dat de eendjes gered moesten worden, omdat ze hun moeder kwijt waren. Kennis zei: ’laat die eendjes toch. Ze vinden hun moeder wel en anders is daar weinig aan te doen. Dit gesol overleven ze niet, ze zijn veel te klein!’ Daarop ontstak de roodharige reddingsdame in woede. Ze schreeuwde dat hij zeker ’een soort Midas Dekkers’ was. Dat vond hij wel een compliment. Thuis belde hij voor de zekerheid een opvangcentrum voor zielige dieren.
Daar werd diep gezucht. ’Ze helpen die eendjes van de wal in de sloot. In de opvang kunnen we niets voor ze doen.’ Kennis toog andermaal naar de reddingsbrigade. Werden die dames wel gedreven door goede bedoelingen? Of wilden ze hun poes verwennen met verse eend? Hij nam een foto, waarop de toch al heetgebakerde eendenredster uitzinnig van razernij tegen hem begon te krijsen. Maar wel pakten de vrouwen hun netten en vertrokken ze.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.