Grote spelers onderscheiden zich niet als het meezit. Die laten zich gelden als het tegenzit. Dat is de les voor het uitgeschakelde Oranje, nu de halve finales van het EK zich aandienen.
Het is, achtergebleven nog even in Lausanne, een dag om te mijmeren – voordat de halve finales van het EK morgen en donderdag de aandacht zullen opeisen. Te mijmeren over de spelers van Oranje. Over de bondscoach is veel, zo niet alles gezegd en geschreven. Volgroeid is Marco van Basten niet als coach, maar dat kan ook niet op 43-jarige leeftijd met niet meer dan vijf jaar ervaring in zijn nieuwe vak.
Er wordt in de benadering van het voetbal al te veel de nadruk gelegd op trainers, alsof zij alles aan een touwtje zouden kunnen hebben. Het zijn de spelers die het doen, in het veld. De eerste gedachte gaat dan uit naar Wesley Sneijder. We zaten vóór het eerste EK-duel bij hem aan tafel. „Italië wereldkampioen?”, zei hij. „Ja, nou en?”
Het was niet arrogant bedoeld. Sneijder brandde van de ambitie. Na bijrollen in zijn vorige twee toernooien wilde hij het elftal aansturen, en dat dacht hij waarschijnlijk ook te doen in de eerste EK-week, toen alles meezat. Maar grote voetballers onderscheiden zich niet dán. Die laten zich gelden als het tegenzit en zetten zich juist dan ook in voor hun medespelers – dát is aansturen.
Sneijder knokte in de kwartfinale tegen Rusland (1-3) tot het eind, zei Van Basten. Het was niet eens onwaar, maar hij deed het slechts voor zichzelf. Met soms mismoedige en dan weer irritante gebaartjes en in zijn lichaamstaal distantieerde hij zich van minder getalenteerde teamgenoten. Grote spelers, écht grote spelers zie je zoiets niet doen. Die laten in het openbaar niet merken hoe ze erover denken, hoe diep het schip ook zinkt.
Zijn maatje dan, Rafael van der Vaart. Leuk en ongecompliceerd. Met hem heb je geen interview, maar een praatje. Met aanstekelijke eenvoud kon hij in Zwitserland vertellen hoe leuk hij het vond om weer eens gewoon lekker te kunnen voetballen. ’En, ga je nog iets leuks doen?’, vroeg Van Basten wel eens aan hem voor een wedstrijd. Dát vindt hij nou leuk. De laatste die hem zo het veld in had gestuurd, was zijn jeugdleider geweest.
Op het hoogste podium van Europa kon hij zijn makker Sneijder aankijken en dan wisselden ze een blik van verstandhouding: wat zijn we lekker aan het voetballen, hè? Hij was ook topfit, dachten hij en wij. Totdat de Russische aanvoerder Semak hem van de sokken liep, of anders Zirianov wel of Semsjov of Saenko. Van der Vaart lag zonder bal op de grond, keek wanhopig naar de scheidsrechter. Nee, het was geen overtreding – hem was gewoon de bal afgepakt.
Bij de dertigers Edwin van der Sar en Ruud van Nistelrooij kon je terecht om het alom belichte groepsgevoel te relativeren. Zij beseften dondersgoed dat het ook veel te maken had met de onwaarschijnlijke resultaten in de eerste week. Twee dagen vóór het derde groepsduel met Roemenië zeiden ze onafhankelijk van elkaar dat ze wilden spelen. Ze wilden doorgaan in de flow.
Toen Van Basten na de wedstrijd werd gevraagd waarom hij desondanks de meeste basisspelers vrijaf had gegeven, werd ontkend dat de routiniers hadden willen spelen. „Niet waar!”, schreeuwde assistent-coach John van ’t Schip zelfs door de perszaal. Perschef Kees Jansma snelde toe om het Nederlandse journaille te bewerken. Niemand had geprotesteerd toen Van Basten bekendmaakte met een reserveploeg te willen spelen, verzekerde hij.
Wat erachter zat, was duidelijk. Stel dat het in de kwartfinale fout zou gaan, dan zou de vraag kunnen komen of Van Basten er verstandig aan had gedaan om een B-team tegen de Roemenen op te stellen en daarmee de wens van vooraanstaande internationals te negeren. De vraag hoefde enkele dagen later niet gesteld te worden. De Russen waren beter, punt uit. Maar de opwinding en de krampachtigheid in de staf zeiden al iets over het deels gekunstelde karakter van de eenheid van Oranje – zoals eenheid in een groep van 23 individuen altijd iets gekunstelds heeft.
De gedachten gaan ook terug naar de verdediging. Vorig jaar al vroegen we Giovanni van Bronckhorst of het geen optie was dat hij weer linksback zou worden. Hij keek alsof hem een oneerbaar voorstel was gedaan. Uit zijn blik sprak de misschien wel typisch Nederlandse onverschilligheid inzake het ambachtelijke verdedigen.
Op het EK wás Van Bronckhorst uiteindelijk linksback. Hij stormde naar hartelust naar voren en speelde zo in zijn nadagen tegen Italië (3-0) misschien wel de beste interland uit zijn carrière.
Maar zaterdag had de sluwe Hiddink een nijvere Rus in zijn zone gezet. Het kwam op verdedigen aan en Van Bronckhorst liet zich soms argeloos beetnemen, evenals Joris Mathijsen en André Ooijer, de wantrouwende centrumverdedigers die vonden dat er veel te veel werd gezeurd, in het algemeen en in het bijzonder over de verdediging.
Maar het was raar om te denken dat Oranje met deze verdedigers Europees kampioen zou kunnen worden. In hun hart moeten Van Nistelrooij en Van der Sar dat hebben geweten – de spits die naar een diplomatiek antwoord zocht op de vraag of dit het beste Oranje was waarin hij ooit had gespeeld, en de doelman die weet hoe goed Oranje tien jaar geleden was.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.