Minister Verburg onderzoekt of boeren die aan de slag willen met genetisch veranderde gewassen, verplicht op cursus kunnen worden gestuurd. Het ontbreekt hen nu te vaak aan kennis.
Minister Verburg (landbouw) wil met een ’gentech-cursus’ de kennis over van genetisch gemodificeerde gewassen verhogen. Het moet de kans op ongewenste besmetting van gewone, gentechvrije gewassen beperken.
Vooral biologische boeren vrezen besmetting. Het zou hun waar onverkoopbaar maken. In een brief aan de Kamer vergelijkt Verburg de cursus met de spuitlicentie, sinds 1996 verplicht voor iedereen die werkt met bestrijdingsmiddelen.
Directe aanleiding voor het initiatief van de minister is een ’afwijkend monster’, genomen tijdens een tweejarige veldproef door door Wageningen Universiteit. Daarbij is waarschijnlijk een zaadje genetisch gemodificeerde maïs in een veld met gewone maïs terecht gekomen. Het veld raakte hierdoor besmet. Een monster bleek voor 13 procent uit genetisch gemodificeerd materiaal te bestaan.
Onderzoeksleider Bert Lotz vermoedt dat het gemodificeerde zaadje per abuis in de zaaimachine is achtergebleven. „Dat is een risico dat in de praktijk een rol kan spelen”, aldus Lotz gisteren bij de presentatie van het tweejarig onderzoek waarvoor 4440 monsters op 12 proefvelden zijn genomen. Verburg oppert in haar brief aan de Kamer nog een besmettingsmogelijkheid: het gangbare zaaizaad zou wel eens niet geheel gentech-vrij kunnen zijn.
De onderzoekers laten zien dat de genetische besmetting van gangbare gewassen door verstuiving over het algemeen beperkt is. Voorwaarde is wel dat tussen de verschillende gewassen voldoende afstand wordt bewaard. Een afstand van 25 meter zorgt voor een besmetting van 0,08 procent, bij 250 meter is 0,007 gemiddeld. Dat is ver beneden de Europese norm van 0,9 procent, die aparte labeling van producten noodzakelijk maakt. Lotz spreekt zelf over een weinig opzienbarende conclusie die bovendien volledig in lijn is met wat zijn collega’s elders in Europa bij soortgelijke veldproeven constateren.
Desondanks kraakt Biologica, het belangenplatform van de biologische sector, de conclusies. „De onderzoekers spreken alleen over gemiddelden. Er zijn dus ook hogere waarden van besmetting”, onderstreept Maaike Raaijmakers, beleidsmedewerker van Biologica. Ze vindt bovendien de onderzoeksperiode –twee jaar– te kort. „Er zijn echt te weinig metingen voor zulke verstrekkende conclusies.”Â
De biologische sector is mordicus tegen gentech en vreest grote problemen als gangbare boeren inderdaad kiezen voor deze nieuwe gewassen. De biologische export wordt hierdoor geschaad, is de vrees.
Maar Pieter Hijma, voorzitter van de Stuurgroep Coëxistentieafspraken en opdrachtgever voor het onderzoek van Wageningen Universiteit, gelooft dat niet. „Overal in Europa speelt dezelfde discussie”, zegt hij. „Overal probeert men afspraken te maken hoe verschillende gewassen het beste naast elkaar zijn te telen.” Hijma moet in zijn stuurgroep voor- en tegenstanders van gentech op een lijn zien te krijgen, zoals Biologcia, maar ook de brancheorganisatie voor uitgangsmateriaal Plantum-NL, die genetische aanpassing juist bepleit.
De stuurgroep heeft sinds de herfst niet meer vergaderd. Hijma heeft de hulp van van minister Verburg moeten inroepen. Zo denkt Biologica heel anders over het eerder overeengekomen schadefonds –bedoeld voor boeren wier producten onverhoopt toch besmet raken– dan de overige stuurgroepleden. Biologica wil er niet aan meebetalen. Hijma vindt dat ’samen uit samen thuis’ de regel moet zijn. Bemiddeling door LNV leverde nog niets op.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.