*

 

3 maart / Zware zaden zijn stadse fratsen

Koos Dijksterhuis − 03/03/08, 00:58

Vleugelstreepzaad is één van de tweehonderd streepzaadsoorten. In Nederland komen enkele soorten voor, zoals klein streepzaad, groot streepzaad en moerasstreepzaad. Streepzaden zijn composieten en bloeien geel, net als paardebloemen.

Ze verspreiden zich met zaadjes die er gestreept uitzien vanwege de ribbels. Knijp composietenzaadjes tussen duim en vinger en u voelt hoe hard ze zijn. Nootjes, noemen botanici ze: zaadjes in een dopje. Er zit een pluim aan waarmee ze met alle winden kunnen meewaaien.

Vleugelstreepzaad komt niet voor in Nederland, al rukt de soort vanuit Zuid-Frankrijk al op tot in België. De plant produceert lichte nootjes die vliegen en zware nootjes die vallen. De zware zitten aan de rand van de samengestelde bloem, de lichte in het hart. De lichte zijn vaak in de meerderheid, wat voordelig is. Vleugelstreepzaad koloniseert verstoorde, omgewoelde gronden. Akkers bijvoorbeeld of spoorbermen. Wie meewaait vindt sneller geschikte plekken. Kale percelen waar huizen gesloopt zijn, staan al gauw vol vleugelstreepzaad. Het plantje dringt steden binnen en daar gebeurt iets opmerkelijks. Ze steken hun samengestelde kop op tussen de hondenpoep en sigarettenpeuken in het zandcirkeltje rond bomen langs het trottoir. Sinds twaalf jaar worden die stadse planten onderzocht door Pierre-Olivier Cheptou van de universiteit van Montpellier. Ze blijken steeds meer zware, steeds minder lichte nootjes te vormen. Cheptou publiceert daar over in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Kennelijk kleeft er een voordeel aan zware nootjes. Dat rondje rond een boom blijft jarenlang zand, terwijl de verre omgeving van steen is. Vallen loont. De trend naar zware nootjes kan zichzelf bovendien versnellen, doordat zware nootjes honkvast zijn en de planten minder kans krijgen naar lichterbezaaide soortgenoten over te waaien.

mailIcon print |