*

 

palestijnen / Zestig jaar weemoed en pijn

Seije Slager − 10/03/08, 00:38

Het Tropenmuseum in Amsterdam vestigt in een tentoonstelling de aandacht op de honderdduizenden Palestijnen die in 1948 van hun geboortegrond verdreven werden.

Hussein al-Luwaisi kijkt met holle ogen de camera in. Achter hem bungelt wat verbogen betonijzer, en er liggen brokstukken die tot voor kort tot zijn huis behoorden. Dat huis is zojuist platgewalst door een Israëlische bulldozer, als vergeldingsactie, omdat zijn zoon bij anti-Israëlische activiteiten betrokken zou zijn.

Zijn kleinkinderen staan ook op de foto, en lijken het stiekem nog wel een spannende speelplek te vinden, zo’n lunapark van puin. Maar de foto die ernaast hangt, verklaart waarom al-Luwaisi er zo gebroken uitziet. Die laat zijn geboortedorp zien, dat hij in 1948 gedwongen moest verlaten, en waar hij sindsdien niet meer terug heeft kunnen keren. Ook dat dorp is, al langer geleden, met de grond gemaakt.

Nee, het is geen politiek statement, wil directeur Leo Schenk van het Tropenmuseum wel even gezegd hebben. De tentoonstelling ’Palestina 1948 – herinneringen aan een verdwenen vaderland’, die in zijn museum te zien is, is vooral bedoeld als aanvulling op de andere activiteiten en vieringen die allerlei instellingen dit jaar organiseren rondom het zestigjarig bestaan van de staat Israël.

Want, zegt conservator Mirjam Shatanawi, het is wel belangrijk dat het andere verhaal ook verteld wordt. Het verhaal van de honderdduizenden Palestijnen die bij de stichting van Israël gedwongen werden om hun huis en hun land te verlaten. Een gebeurtenis die in de Arabische wereld bekend staat als ’nakba’. „Letterlijk vertaald betekent dat gewoon catastrofe”, vertelt Shatanawi, „maar het heeft dezelfde lading als de term ’de oorlog’ bij ons heeft. Of je nou in Marokko of in Libanon bent, iedereen weet gelijk waar je het over hebt.”

Die gedwongen emigratie, en de levenslange ballingschap die erop volgde, staat centraal op de tentoonstelling die Shatanawi inrichtte. Met veel videomateriaal, afkomstig van het Nakba Archive in Beiroet: bejaarde Palestijnen worden geïnterviewd over hun leven, en vertellen soms gruwelijke verhalen over 1948.

De fototentoonstelling valt in twee delen uiteen. Allereerst de arcadische foto’s die Khalil Raad in de jaren dertig nam in het gebied dat nu Israël heet. Ze spiegelen een arcadische samenleving voor, waar mensen vooral bezig lijken te zijn met graan oogsten en fruit plukken.

Ze contrasteren hevig met het fotografische essay ’Homeland Lost’, van de Britse fotograaf Alan Gignoux, dat ook op de tentoonstelling hangt. De hierboven beschreven foto’s van Hussein al-Luwaisi behoren daartoe. Gignoux nam steeds twee foto’s, één van Palestijnse vluchtelingen in hun huidige situatie, en één van het huis dat zij of hun familie in 1948 achterlieten. In veruit de meeste gevallen staat dat huis er niet meer. En in alle gevallen was het onmogelijk voor de voormalige bewoners om hun voormalige geboortegrond te bezoeken.

Gignoux vertelt: „Dat was dus nog lastig. Ik kon natuurlijk wél op de plekken komen, maar wist niet precies waar ik moest zijn. De bebouwing ziet er tegenwoordig ook helemaal anders uit dan in 1948, dat was natuurlijk juist het idee achter het project. Dan stond ik dus met mijn mobiele telefoon met iemand in een Libanees vluchtelingenkamp te bellen, en ongeveer te beschrijven wat voor bruggen en bomen ik zag, en zo kreeg ik langzaam een idee wat ik moest fotograferen.”

Hij reisde twee jaar door het Midden-Oosten voor het project. „Ik wilde een humanistisch perspectief kiezen, een verhaal vertellen over mensen, niet over de oorlog.” Dat lukte natuurlijk niet altijd, geeft hij gelijk toe. Zoals bij die foto van Hussein al-Luwaisi en zijn verwoeste huis. „Dat soort dingen gebeuren daar. Die komen ook op de foto’s terecht.”

Ook Shatanawi wil zich met haar tentoonstelling buiten de politiek houden. „Die discussies over VN-resoluties, en over hoeveel vluchtelingen er nou precies waren, die gaan altijd door. En in zulke discussies sneeuwen de mensenlevens waar het om gaat nog wel eens onder. We wilden laten zien wat de gebeurtenissen met die mensenlevens hebben gedaan.”

Toch lijkt al in de titel van de tentoonstelling de politiek terug te komen. Want ’Palestina’, en ’vaderland’ in 1948? Was het niet pas jaren na 1948 dat de bewoners van de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever zichzelf samen als Palestijnen gingen beschouwen? Shatanawi: „Tja. Als het een tentoonstelling over Egypte was, zou je me dit soort vragen niet eens stellen. Natuurlijk is het nationale gevoel van Palestijnen pas veel sterker geworden onder de Israëlische bezetting. Maar aan dat soort discussies hebben we dus bewust niet heel veel aandacht gegeven. Wij wilden het gevoel van weemoed en pijn van de vluchtelingen onder de aandacht brengen.”

mailIcon print |