Pakweg een halve eeuw geleden was mijn vriendin vast trots geweest. Nu maakt ze zich zorgen. Wat wil het geval? Ze heeft een zoontje dat van voetballen houdt, van rekenen en rennen. En een prater is hij niet. Als hij een akkefietje heeft, lost hij dat bij voorkeur zwijgend op.
Niks aan de hand, zou je zeggen. Een gelukkig ventje. Maar nee. Hoe moet dat gaan, zei ze laatst, als hij straks volwassen is? „Geen vrouw pikt het toch meer als een man niet kan praten over zijn gevoelens?”
Onbedoeld bevestigde mijn vriendin met haar getob wat Harvey C. Mansfield niet moe wordt te beweren. Deze neoconservatieve filosoof was de afgelopen dagen in Nederland. Aanleiding: de vertaling van zijn boek ’Manliness’, dat twee jaar geleden in de Verenigde Staten voor flinke reuring zorgde. ’Mannelijkheid’ is volgens hem dankzij het feminisme in het ongerede geraakt. Mannen hebben zich te lang het zwijgen laten opleggen. Daardoor zijn nu masculiene kwaliteiten als daadkracht, moed en doortastendheid vreselijk uit de mode.
Daar hééft Mansfield natuurlijk een punt. De feminisering – althans hier in het Westen – grijpt om zich heen. Een beetje man redt het niet meer met wegduiken achter de krant, ooit zijn vaders sterke troef. Gevoelens en emoties zal hij tonen, zijn angsten openlijk etaleren – aan de keukentafel, in bed, op de werkvloer. En als hij een probleem heeft, moet hij er vooral heel erg over praten. Ook al heeft hij deze vaardigheid niet zomaar in huis.
Nu is Harvey Mansfield beslist niet de eerste die het verschijnsel aankaart. Eind jaren negentig sloegen feministes als Fay Weldon, Susan Faludi en Rosalind Coward al alarm. We zijn te ver doorgeschoten, vonden ze, in ons verzet tegen de man. „Het valt niet mee een vrouw te zijn”, zei Fay Weldon, „maar het moet in deze tijd nog veel erger zijn een man te wezen.” En in 2003 verscheen ’De man. Het zwakke geslacht’ van de Britse geneticus Steve Jones. Ook hij maakte zich zorgen over de deplorabele staat van zijn sekse. In het vervolgonderwijs zijn jongens inmiddels in de minderheid, managers komen niet ver meer met machogedrag, en zelfs voor de voortplanting zijn mannen niet langer per se noodzakelijk. Is het vreemd dat ze in de war zijn omtrent hun rol?
Steve Jones liet in het midden hoe deze ’crisis in de mannelijkheid’ overwonnen diende te worden. Harvey Mansfield weet de oplossing wél. Het is tijd voor een ’nieuw feminisme’, schrijft hij, waarin mannen weer volop man, en vrouwen weer volop vrouw mogen zijn.
Dat klinkt alleszins sympathiek. Totdat Mansfield invult wat dat nieuwe feminisme in de praktijk betekent. En dan klinkt weer het al te bekende refrein. Vrouwen, zei hij vorig jaar in deze krant, zitten ’nu eenmaal’ liever thuis. En in Opinio legde hij het vorige week nog eens haarfijn uit. Vrouwen moeten zich niet langer gedwongen voelen „om in een mannenberoep te werken”. Want voor hen is het huishouden „de plek waaraan zij eer kunnen behalen en vreugde kunnen beleven”.
Hoe zou het toch komen dat doorgaans redelijke neoconservatieven een sentimenteel waas voor ogen krijgen, zodra ze zich over de vrouwenzaak buigen? Steevast komen ze uit op een theemutsfeminisme van de sneuste soort. Vrouwen mogen heus een gezellig baantje hebben. Maar hun ware roeping ligt elders. Het zijn zulke bijzondere wezens dat ze maar beter binnen kunnen blijven.
Pleiten voor eerherstel van mannelijke deugden – van mij mag het. Graag zelfs. En niet alléén voor dat stoere zoontje van mijn vriendin. Maar als het voortaan kan zonder vrouwen terug te verwijzen naar hun hok, zou het me heel wat liever zijn.
www.trouw.nl/video: de gesproken column van Elma Drayer te zien en te horen
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.