*

 

schouten / De sterke arm

Rob Schouten − 10/03/08, 00:40

In mijn jeugd was het de gewoonte om je openbare status of die van je naasten zo nu en dan op te hogen met een leugentje: mijn vader is politie. Dat beweerde je dan bijvoorbeeld omdat je eigen gezag in het geding was, of om op een vriendje indruk te maken, of gewoon omdat het goed klonk. Niet ’agent’ of ’agent van politie’, en ook was je vader niet ’bij de politie’, maar hij was gewoon politie.

Ik geloof niet dat er andere beroepen waren waar je zo mee kon bluffen: mijn vader is groenteman, ach wat, de mijne is boekhouder. Ook met hogere beroepen geurde je niet. Niemand beweerde dat zijn vader burgemeester was, of chirurg. Ook niet ’minister’, hoewel ik dat strikt genomen nog wel had kunnen verdedigen, omdat predikant in het Engels ’minister’ is. Ik vermoed dat hogere beroepen te verdacht waren en vooral ook te makkelijk te controleren.

Politie daarentegen was wel indrukwekkend maar toch kon iedereen het zomaar wezen. De haalbare macht. Een beetje benauwd was ik wel voor de politie, maar toch niet zo dat ik eronder leed. Ik herinner me dat wij eens met de hele familie, opa en oma, ooms en tantes door ons favoriete natuurgebied wandelden, de Posbank bij Arnhem. Ik was in die tijd een groot duimer; tot op hoge leeftijd, zeg tien jaar, heb ik lopen duimen.

Een opvoedkundige oom vertelde mij daar dat de politie in de Posbank patrouilleerde om duimende jongens op te pakken. Ik geloofde hem maar half, maar half is toch ook nog genoeg om je niet helemaal op je gemak te voelen. Het is een gevoel dat je meeneemt je volwassenheid in. Er verstijven nog altijd enige oude en getrainde spiertjes in me als ik opeens een stel agenten zie lopen of de rijkspolitie op de snelweg langs zie rijden. Even voorzichtiger doen. Tot de andere kant van m’n verstand me influistert dat er niks aan de hand is. Het grote aantal bijnamen voor politieagenten is karakteristiek. Bijnamen gebruik je immers vooral om soepeler te kunnen omgaan met ongrijpbare fenomenen als vorsten en leraren.

De politie is denk ik maatschappelijk koploper met smeris, klabak, juut, wout, bromsnor, diender en nog een heel handjevol. In Den Haag gebruiken ze wel het woord ’ballenjatter’, vanwege de hebbelijkheid van de politie om bij het straatvoetbal de bal af te pakken – soms doen instanties hun naam onverwacht eer aan. Een tijdlang voelde ik zelfs bij beroepen die niks met de politie te maken hebben, zoals handelsagent, verzekeringsagent, iets van ontzag: op een geheimzinnige manier leken ze er toch ook bij te horen.

In mijn oude schoolagenda uit het seizoen 1971-1972 staat een advertentie om bij de rijkspolitie te komen werken: ’Afwisseling wil ik, werk tussen de mensen! Voor een jongen die een hekel heeft aan een sleurbestaan!’ In beeld een man in een Porsche. De ultieme jongensdroom. Toch is er niemand in mijn vriendenkring agent geworden. Het zijn de grote onbekenden gebleven. Misschien moet ik ze eens goed bestuderen nu ze gaan staken en in een toestand van rust geraken. Als leeuwen die met een verdovend pijltje zijn neergeschoten.

mailIcon print |