Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 1945) is schrijfster. Ze debuteerde in 1987 met ’Tine of De dalen waar het leven woont’. Haar volgende romans werden vaak genomineerd voor en bekroond met literaire prijzen. Dit jaar verscheen bij uitgeverij Augustus haar nieuwe roman ’Snijpunt’.
I.
„De verhalen over God – voor zo ver ik me die kan herinneren – waren een onderdeel van alle sprookjes die werden verteld. Als je een kleuter bent, kan dat allemaal: Sneeuwwitje bestaat, de zeven dwergen bestaan, God bestaat.
Op de lagere school schoof die God ineens vanuit het sprookje de werkelijkheid in. We werden klaargestoomd voor de eerste heilige communie en we moesten weten wat een zonde was. De school reikte daartoe plaatjesboeken uit waarin het haarfijn werd uitgelegd. De ziel werd voorgesteld als een geel rechthoekje en in die rechthoek bevonden zich allemaal bruine vlekken. Grote vlekken waren de doodszonden, kleine vlekken dagelijkse zonden. Als je die opbiechtte, werd je ziel gezuiverd. Om dat duidelijk te maken, kregen we ook een soort stripverhaal te zien met in het eerste plaatje een jongetje. Een gewoon, braaf jongetje bij zijn moeder in de keuken. Erboven stond een afbeelding van God: een aardig uitziende man die vriendelijk op dat jongetje neerkijkt. In het volgende plaatje zien we uit een grijs wolkje een duiveltje tevoorschijn komen dat onmiddellijk zijn invloed doet gelden in die keuken: de jongen krijgt een donkerder blik en kijkt begerig naar een sinaasappel in de schaal die voor hem op tafel staat. ’Pak die sinaasappel, pak die sinaasappel . . .’ fluistert het duiveltje. En God krijgt een enorme frons tussen zijn wenkbrauwen.
Het duiveltje is in het volgende plaatje al een stuk groter en zwarter. Dan zie je het jongetje de sinaasappel pakken en de aardige man die God eerst was veranderen in een toornige, maar ook teleurgestelde figuur, terwijl het duiveltje overduidelijk triomfeert. En pats! Daar heeft het jongetje een vlek te pakken in het gele rechthoekje van zijn ziel. Even later zien we hem – met een pet op en een zak gestolen spullen op zijn rug – het beeld uitlopen: zijn ziel voorgoed aan de duivel verkocht.
Ik herinner me vooral dat ik dacht: als God al zo boos wordt om het pikken van een sinaasappel, hoe zou het dan met me aflopen bij een ernstiger vergrijp? En waarom kan die duivel zo makkelijk winnen? Kan God me daar dan niet tegen beschermen? Overal zag je van die driehoekjes, met het alziend oog van God, waarschijnlijk ook bedoeld ter geruststelling: hij waakt altijd over je, maar ik vond het vooral bedreigend. Ik was bang voor die God en ik was braaf omdat ik Hem niet boos wilde maken. Later, in mijn puberteit, toen ik boeken ging lezen en op andere ideeën werd gebracht, heb ik het geloof als een oude jas uitgedaan. Er is niets, geen enkel restant, meer zichtbaar. Goed, je zou kunnen argumenteren dat het driehoekje, het alziend oog, is getransformeerd in een persoonlijke moraal, maar dat geweten had zich net zo goed ontwikkeld als ik zonder God was opgegroeid.”
II.
„Christus als een geitenneuker, God als een ezeltje: het mag van mij allemaal gezegd worden. Ik denk dat mijn ideeën over Jezus de ware gelovige als waterdruppels van een eend zullen afdruipen. Waarom zou je je beledigd voelen door iemand die jouw geloof niet deelt? Ik denk dat je ook een plicht hebt om niet zo snel beledigd te zijn. Ik ben het met je eens: het hóeft ook niet gezegd te worden, maar ik zie helemaal niets in de lijn-Balkenende . . . O, ik krijg het op mijn heupen van die man! ’Zo gaan we toch niet met elkaar om in dit land?’ Ja, zo gaan we kennelijk wél met elkaar om in dit land! Ik wil mijn toon matigen uit hoffelijkheid. Respect vind ik een lastig woord, maar uit hoffelijkheid wil ik bepaalde dingen, waarvan ik weet dat ik er een ander mee zal beledigen, wel voor me houden. Maar als je mensen die hoffelijkheid uit angst gaat opdringen, dan gaat het mis. Ik weiger in angst te leven. Ik wil in vrijheid en in hoffelijkheid leven. Dat is voor mij de kern.”
III.
„De zondag zegt me niet zoveel. Het is vooral de maandag die ik er feilloos uitpik. Laatst nog. Ik liep op straat en ineens rook ik hem: maandag. Zo’n rode-koolprakkie-op-de-kachel-geur, wasgoed dat in de kamer te drogen hangt. Een archetypisch treurige dag. Ik snuif die lucht op en zie mezelf weer als de somberende puber die ik was: het is allemaal niks en het zal wel nooit iets worden ook.”
IV.
„Als ik terugdenk aan mijn jeugd, zie ik een veilige, overzichtelijke wereld. Ik kende mijn straat, mijn wijk, mijn stad, mijn familie, mijn klasse. Er waren – maar ze zijn er volgens mij nog steeds – bepaalde scheidslijnen, grenzen waar je niet zo makkelijk overheen kon stappen. Mijn moeder heeft me later verteld dat ze naar het Rotterdams Lyceum was gegaan om mij aan te melden, en dat de rector haar duidelijk had willen maken dat ik, als arbeiderskind, niet goed zou passen op zijn school. Daarom, om mij die ongemakkelijkheid te besparen, heeft ze me bij de nonnen op school gedaan. Later, toen ik in Leiden ging studeren, kreeg ik pas echt met de klassenmaatschappij te maken. De meisjes van bepaalde families roken haast dat je niet dezelfde afkomst had. Of ze hoorden het aan mijn taalgebruik. Ik voelde mij al snel totaal verloren. En dan had ik ook nog van dat afwijkende haar: lange woeste krullen, in plaats van een blond glad kapsel dat zich makkelijk in zo’n coupe laat knippen. Het lukte me niet eens om die gestalte aan te nemen; ik zou nooit worden zoals zij. Uiteindelijk ben ik gevlucht in het toneel: daar mocht ik een ander zijn. Acteurs werden door mensen uit die hogere milieus wel met de nek aangekeken, maar tegelijkertijd vonden ze het, geloof ik, ook wel grappig en interessant.
Door mijn studie kwam ik ook in werelden terecht die voor mijn ouders altijd gesloten waren gebleven. Literatuur, de klassieken, geschiedenis – ik vond alles prachtig. Op de middelbare school was het nog eng geweest. Ik voelde me een vreemdeling in Jeruzalem; niemand kon me vertellen waar ik moest beginnen, welk boek ik eerst moest lezen en wat daarna zou komen. Mijn ouders hebben vanaf het begin gezegd: je moet het zelf doen, wij kunnen je niet helpen. Ik ben in de loop der jaren uit hun wereld weggedreven, maar ik heb me er nooit van afgekeerd. En ik heb me er ook nooit voor geschaamd. Mijn ouders bleven gewoon mijn ouders en bij alles wat ik ontdekte, bleef hun wereld de plek waar ik mij het veiligst voelde.
Langzaam maar zeker ontstond er een andere rolverdeling. Toen ik trouwde en kinderen kreeg, vonden ze het heerlijk om iedere week langs te komen om een dag op te passen. Mijn moeder nam een puzzel of een breiwerkje mee en mijn vader ging de tuin doen of de auto maken. Ze vonden het prettig om iets voor mij te doen, precies zoals ik het prettig vond om later, toen ze oud en gebrekkig werden, voor hen te zorgen.
Mijn moeder is overleden toen ze 82 was. Ik vond het jammer dat ze in de tijd van haar ziekte – ze had kanker en allerlei andere nare dingen – nooit met ons over haar angst heeft durven praten. Ze was bang om dood te gaan en heeft, vanuit die angst, in haar laatste maanden te veel van mijn vader geëist. Die arme man was kapot, hij kón niet meer, maar iedere keer weer moest hij op komen draven in dat ziekenhuis. Het maakte me razend. Ik heb, uit pure machteloosheid, een keer het servies tegen de muur kapot gegooid. Praat dan! Zeg het gewoon: ik ben bang. Ze heeft het niet gedaan. Dat vind ik nog altijd een verdrietige gedachte; dat ze bang gestorven is.
Mijn vader is negentig geworden. Hij is langzaam weggegleden in een soort dementie. Ik ging iedere week even bij hem zitten, of een rondje met hem lopen. Op een dag belden ze vanuit het verpleeghuis dat hij niet meer wilde eten of drinken. Hij was, als een foetus, in bed gaan liggen. Klaar met het leven. Mijn zus en ik zijn naar hem toe gegaan, ieder aan een kant van het bed. Zo hebben we gezeten en over hem gepraat, zijn hand vastgehouden, net zo lang tot ie wegging. Het is een van de mooiste ervaringen van mijn leven geweest. Ik probeer me wel eens voor te stellen hoe het is als ik ziek word, als ik de dood krijg aangezegd. Dan zie ik voor me hoe ik steeds dieper in mijn kussen wegzak en me concentreer op het laatste beetje leven dat in mijn lichaam zit. Ik hou me vast aan de gedachte dat het zal gaan zoals het bij mijn vader ging: hij ademde, hij ademde, hij ademde . . . en toen niet meer. We hebben een tijdje naar hem gekeken tot de zuster kwam om hem af te leggen. Na een uurtje riep ze ons terug en ik zag het al van verre: dit hoeft niet meer. Hij lag gestrekt, zijn armen gekruist, zijn gebit weer in zijn mond. Het klopte niet. De dood klopte zoals ik die eerder had gezien, toen hij daar als een grote, oude baby in bed had gelegen. Op dat moment was de cirkel rond.”
V.
„Ik herinner me een scène aan tafel. Ik was een jaar of tien. Mijn moeder was heel erg boos op mijn vader geworden omdat hij naar een voetbalwedstrijd wilde, geloof ik. En hij was, voor een keer, ook boos op haar. Ik denk dat ik voelde dat er iets aan de oppervlakte dreigde te komen; iets wat tussen die twee mensen speelde dat door de schijn van het goed lopende huwelijk werd bedekt. Ik weet nog dat ik opstond en met haperende stem zei: jullie mogen geen ruzie maken! Jullie moeten het nu goedmaken. Mijn moeder stond onmiddellijk op, liep op mijn vader af en zei: ’Jan. We moeten het goed maken’. Het was een magisch moment: ik kon er voor zorgen dat de woede verdween. Dat is wat ik nog steeds doe: sussen, goed maken. Ik zal nooit iemand iets aandoen, maar ik ben wel bang voor alles wat buiten zijn oevers treedt, bang dat ik het niet kan beheersen, bang dat dingen kapot zullen gaan. Het is een beperking, dat weet ik, een fikse ruzie lost soms veel meer op.”
VI.
„Seksualiteit was vroeger geen onderwerp van gesprek. Mijn moeder heeft me duidelijk gemaakt dat seks iets was wat je had als je eenmaal getrouwd was, maar ik heb nooit de indruk gekregen dat het ook prettig kon zijn. En wat de kerk betrof, was seks alleen bedoeld voor het maken van kinderen. Zelfs toen ik de uiterlijkheden van het geloof had afgelegd, bleef die gedachte – dat seksualiteit eigenlijk vies was – in mijn achterhoofd meespelen. Ik vond het ingewikkeld. Ik wilde ook nog eens aardig gevonden worden en heb mij, om die reden, aan menige jongen verslingerd. Naderhand voelde ik me vies. En schuldig. Die jongens deden ook nauwelijks de moeite om je te laten merken dat ze je lief of aardig vonden, of dat ze je ook maar enigszins respecteerden. Het was niet goed, het is beslist één van de donkere kanten van een katholieke opvoeding, maar nu zie je weer dat het helemaal naar de andere kant is doorgeslagen. Ik heb het idee dat van jonge mensen wordt verlangd dat ze alles op dat gebied maar gewoon en lekker moeten vinden. Ik ben voor een vrije beleving van seksualiteit, maar dan wel binnen het kader van de ontwikkeling van je eigen persoonlijkheid en autonomie. De manier waarop die totale vrijheid aan jongeren wordt opgedrongen vind ik haast pervers.”
VII.
„Ik heb een sterk gevoel voor mijn en dijn. Niet alleen wat mij rechtens toekomt, waar ik voor heb gewerkt of wat ik heb verdiend, maar ook in een abstracter gebied, namelijk: de plaats die ik inneem in het leven. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik een zo klein mogelijke plaats probeer in te nemen om anderen niet voor de voeten te lopen, terwijl anderen misschien zullen zeggen: nou, die Noordervliet, die maakt zich behoorlijk breed, die eist heel veel aandacht op. Daar zit een discrepantie.
Ik schreef boek na boek vanuit een behoefte aan erkenning, vanuit een tekort. En het drong maar niet tot me door dat ik het op die manier nooit zou krijgen. Het is namelijk nooit genoeg. Ik zakte na ieder boek in een steeds grotere depressie weg.
Na het verschijnen van ’Pelican Bay’ (roman uit 2002, AV) kreeg ik fysieke stoornissen. Maandenlang ging mijn hart op een vreemde manier te keer. Ik was ook steeds bang om dood te gaan. Dan was ik alleen thuis en dacht: ga nou maar naar buiten, dan word je tenminste gevonden als je ergens neervalt. Ik was helemaal aan het eind van mijn Latijn. Op een dag zei Adriaan (Van Dis, AV): ’Ik ben net klaar met mijn analyse, ik kan wel een goed woordje voor je doen bij Van Tilburg’. Zo ben ik bij zijn psychiater terecht gekomen. Niet in analyse want zo ingewikkeld zit ik, met mijn beschermde jeugd, nou ook weer niet in elkaar, maar één keer per week. Van Tilburg heeft me geholpen een evenwicht te vinden tussen mijn ambitie en mijn bescheidenheid. Ik vond die drie kwartier over mezelf praten op zich al een feest – al voelde ik me ook bezwaard en heb ik mijn best gedaan om er voor die man ook een beetje een leuke ochtend van te maken.
Na drie jaar begon ik mezelf te herhalen en besloten we de therapie te stoppen. Ik had geleerd te zeggen: dit is wat ik wil en als er mensen zijn die dat niet goed vinden dan is dat de consequentie van het aanvaarden van mijn eigen ambitie.”
VIII.
„Ik zeg heel vaak iets niet. Het is het verhaal over de woede: ik ben een controleur van mijn emoties. Ik kan iemand een nul vinden, maar ik zal het hem niet zo snel zeggen. In het controleren van de liefde – dat zullen mijn kinderen en mijn kleindochter bevestigen – ben ik minder bedreven. Dat hou ik niet in. Vanessa, mijn dochter, zei altijd: ’Mama’s handen zijn gesleten van het aaien’.”
IX.
„Ik heb vaak gedacht dat ik erg ongelukkig zou zijn geworden als ik Peter niet had ontmoet. Dan had ik vast allerlei mislukte relaties gehad waarover ik lelijke, slechte boeken was gaan schrijven. Ik heb het aan mijn stabiele relatie met Peter te danken dat ik over belangrijker – nou ja, belangrijk, in ieder geval ándere – dingen heb kunnen schrijven dan over mijn eigen lek en gebrek.”
X.
„Wat ik doe stelt niets voor, maar ik gun anderen evengoed hun succes. Goed, goed, je hebt gelijk: ik ben er al een beetje mee opgehouden te denken dat wat ik doe niets waard is, maar het is echt niet zo makkelijk hoor. Ik ben gewend de mensen die mij straffen of een afkeer van mij hebben veel serieuzer te nemen dan de mensen die mij goed en aardig vinden. De afgelopen weken heb ik kunnen uitvinden wat het effect is geweest van mijn gesprekken met Van Tilburg. Er werd hier druk heen en weer gechat en gesmst: ’Hoe is het met mama?’ Ze waren als de dood dat ik door een slechte recensie weer helemaal door het lint zou gaan, dat ik weer treurig en zielig zou worden. Ik heb gezegd dat ze me maar moesten vertellen wat er in de recensies stond, ik hoefde het zelf niet lezen. Een keer stond er in een mailtje een opmerking over een slechte bespreking en toen voelde ik hoe de paniek heel even opfladderde. Het kostte me één slechte nacht, maar de volgende dag merkte ik dat het over was. Ik geloof werkelijk dat ik ervan heb geleerd. Je kunt dus best een bepaalde plaats innemen zonder dat je het gevoel hebt dat je anderen van hun plaats berooft. Het is niet per se laakbaar, je kunt ook ruimte opeisen zonder al te dwingend te zijn, ambitieus is niet per definitie arrogant, en meer van dit soort termen uit de hulpverlening. Ik vind het, hoe dan ook, een verbetering. Ik heb mijn agressieve bescheidenheid – let maar niet op mij hoor schat! – altijd vreselijk gevonden. Ik wil niet langer het meisje zijn dat roept: hou van mij, hou toch alsjeblieft van mij.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.