*

 

Al die moeite, zo weinig rendement

Anthony Fiumara − 28/10/08, 00:00

Alle voorwaarden voor de nieuwe kameropera ’Black Feather Rising’ waren uitstekend. De Indiaas-Britse componist Param Vir heeft een bijzondere eigen stem in de muziek: met zijn amalgaam tussen westers modernisme en Indiase muziek brengt hij zoals hij het zelf zegt een ’ode aan de culturele diversiteit’.

  • Indiaas-Britse componist Param Vir (\N)

Wat betreft het maken van opera’s is Vir bepaald geen groentje. In het begin van de jaren negentig maakte hij twee korte opera’s, waarvan hij met ’Broken Strings’ in een enscenering van Pierre Audi de prestigieuze Ernst von Siemens-prijs voor jonge componisten won. Zijn meest recente en diepzinnige opera ’Ion’ (2000) werd eveneens goed ontvangen.

’Black Feather Rising’, Virs nieuwste muziektheaterwerk, werd zaterdag in de Haarlemse Toneelschuur ook nog eens (tweede voorwaarde) uitgevoerd door Nederlandse topmusici, in een indrukwekkend lange tournee. Om er maar een paar te noemen: opdrachtgeefster Godelieve Schrama op harp, Marijke van Kooten op viool, sopraan Charlotte Riedijk als vrouwelijke protagonist in dit drama voor twee geliefden. Ook de regie was in goede handen bij Jos van Kan, die vaak opvalt door zijn sterke concepten en zijn krachtige personenregie.

Eigenlijk kon er dus niks misgaan. Maar zaterdag bleek ’Black Feather Rising’ niet Virs sterkste werk, een risico dat je altijd loopt met een nieuwe compositie. Het Indianenverhaal over twee geliefden die elkaar na vele beproevingen fysiek en spiritueel hervinden aan de voet van Black Feather Mountain, was als voorstelling een erg lange, saaie zit.

Dat lag in de eerste plaats aan de zanglijnen die onhandig geschreven waren: alles met dezelfde versieringen en meanderende maniërismen. Ook de instrumentale lijnen leden aan een soort notenpoeperige slierterigheid. Veel speciale technieken, veel te veel noten, van de zes musici op kisten op het toneel bespeelden de meesten twee of drie instrumenten. Maar het bleef armoedig klinken, zo’n liefdesverhaal met maar één duet van drie regels en zonder één fijne aria. Virs tempi waren ook al zo zouteloos en eenvormig, het libretto van David Rudkin een larmoyant recitatief van anderhalf uur.

Je hoorde dat de musici hard gewerkt hadden om al die moeilijke partijen in te studeren en bij elkaar te brengen; hoe een zangeres als Charlotte Riedijk expressief het onderste uit de kan haalde en haar onmogelijke lijnen uit het hoofd had geleerd – al die moeite, zo weinig rendement. En dan hielp de gortdroge akoestiek van de Toneelschuur ook niet mee.

De personenregie hielp dit keer ook niet mee, maar ik zou zo gauw ook niet weten hoe je dit beter zou kunnen doen. Bariton Alistair Shelton-Smith was geen sterke acteur en zeker geen stoere indiaan. De musici zaten met hun instrumenten bovenop kisten die een halve cirkel waren opgesteld, als ’ondersteuning van de dramatische handeling’ volgens Vir.

Dat heb ik gemist, of het moet de programmamuziek zijn waar je af en toe naar luisterde: op het woord ’vallen’ een glissando naar beneden, hard slagwerk als het over een ’wrede vrouw’ ging, hamergeklop als het libretto het over een hamer had – van dat werk. Het is lovenswaardig dat Stichting Octopus met deze productie haar nek zo uitsteekt en echt iets bijzonders neer wil zetten. Maar zoals iemand na deze voorstelling al opmerkte: niet alles kan altijd lukken.

mailIcon print |