*

 

De schaamte nog niet voorbij

Mandy Pijl − 23/10/08, 02:27

Het enige Chineestalige meldpunt voor huiselijk geweld is opgeheven. Een groot verlies, zegt de hulpverlening. De Chinese gemeenschap in Nederland is gesloten, maar mishandeling lijkt veel voor te komen. Erover praten wordt als gezichtsverlies gevoeld.

Bijna drie jaar leefde ze met verbaal en fysiek geweld door haar Nederlandse man, de 45-jarige Chinese vrouw die naar Nederland was gekomen om hier met haar nieuwe echtgenoot en haar vijfjarige zoon een nieuw bestaan op te bouwen. Voor die tijd had ze een onzekere bestaan in China. Ze werkte als fabrieksarbeider en behoorde als alleenstaande moeder tot een kwetsbare groep. Dat ze een kind had en geen man, moest volgens haar omgeving wel het gevolg zijn van verkrachting of prostitutie.

Om uit haar sociale isolement te komen en de armoede te ontvluchten, zocht ze in internationale contactadvertenties een geschikte man – en vond er een. Hij was geen miljonair maar, meende ze, een lieve man die haar en haar zoon een betere toekomst zou geven. Hij vertelde over zijn depressies, en dat hij kinderen uit een eerder huwelijk had. Het raakte haar dat hij haar zijn zachte kant liet zien.

Vele verbale en lichamelijke mishandelingen later begreep ze dat ze met een schizofreen was getrouwd.

Estée Huang, voormalig coördinator van het meldpunt Chinese vrouwen en kinderen in nood, de landelijke hulplijn voor Chinese vrouwen die te maken hebben met huiselijk geweld, vertelt het verhaal van deze vrouw. Die wil zelf onder geen beding met een verslaggever praten. Een persoonlijke ontmoeting met een journalist zou gezichtsverlies zijn.

Een voor Chinezen typerende reactie, meent Huang. „De Chinese cultuur is een zwijgcultuur”, zegt ze. „Het is ongebruikelijk om met anderen over problemen te praten.”

Als Huang voor het Internationaal Olympisch Comité het land in trok om voorlichtingsbijeenkomsten te houden over wat te doen bij huiselijk geweld, dan passeerden vooral veel andere thema’s, zoals de taalontwikkeling bij kinderen. Alleen het laatste kwartier sprak ze over huiselijk geweld. Ze is ervan overtuigd dat ze voor lege zalen had gestaan als dat het hoofdthema was geweest.

In de Chinese cultuur bestaat het individu ten behoeve van de familie, en uit de school klappen over huiselijk geweld betekent daarom ook voor de familie van slachtoffers vaak gezichtsverlies, legt Huang uit. Om die reden verliezen sommige slachtoffers de steun van hun naasten.

Ze vertelt over een vrouw die haar in Nederland woonachtige Chinese vriend in Hongkong voor het eerst ontmoette. Vanaf het moment dat ze ontdekte dat hij overspel pleegde, kreeg het stel hevige ruzies. Toen haar schoonfamilie daar lucht van kreeg, liet deze de inmiddels hoogzwangere vrouw vallen. Hun zoon was onschuldig, zij deed hem tekort, en, redeneerde de familie, haar kind was vast niet van hem. Uit angst om haar verblijfsvergunning te verliezen, bleef ze bij haar vriend – tot hij haar met de dood bedreigde.

Huiselijk geweld onder Chinezen is, zegt Huang, door schaamte zowel binnen de eigen gemeenschap als voor de hulpverlening een onzichtbaar probleem. Vanaf nu is het dan ook nog aan de reguliere hulpverlening om deze vrouwen te begeleiden. Dat zal niet meevallen, schat Huang, die ondermeer hulpvragen kreeg van politie, leerkrachten en andere professionals over de wijze waarop ze de doorgaans zwijgzame Chinezen hulp konden bieden.

„Chinezen missen de beweging van empowerment”, zegt Huang. „Voor je rechten opkomen, daar is geen sprake van.” De invloed van de filosoof Confucius is daarbij groot volgens haar. „Tolerantie, heel confuciaans. Je blijft tolerant, ook als je man je slaat. Hij is immers de vader van je kind.”

Huang vreest dat huiselijk geweld in veel gevallen een onzichtbaar probleem blijft nu het meldpunt er niet meer is. De drempel om de reguliere hulpverlening, zoals een Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld, op te zoeken, zou te hoog zijn. Daardoor kan het beeld ontstaan dat er binnen de gemeenschap helemaal geen problemen zijn.

Socioloog Paul Geense, die onderzoek deed naar de Chinese opvoeding en de maatschappelijke positie die Chinezen in de Nederlandse maatschappij bekleden, nuanceert het door Huang geschetste beeld. Hoewel er in Chinese kring met meer reserve over ’levensmoeilijkheden’ wordt gesproken, vindt hij dat niet een typisch Chinees verschijnsel. Bovendien blijkt uit onderzoek dat Chinese vrouwen in het geval van echtelijke problemen vooral steun zoeken bij vrouwelijke familieleden. Van uitstoting hoeft helemaal geen sprake te zijn.

Geense benadrukt dat er veel meer factoren zijn die de geslotenheid van Chinesen bepalen dan alleen de familie-eer. „Veel migranten komen van het platteland en hebben in hun jeugd grote armoede gekend. Daar word je harder van en dan toon je je kwetsbaarheid niet zo gauw.” Hij wijst er ook op dat de oude generatie nog burgeroorlogen heeft meegemaakt, het regime van Mao. „Dat tekent deze groep ook.”

Hoe groot de omvang van het probleem van huiselijk geweld binnen de Chinese gemeenschap is, is niet bekend. Onderzoek hiernaar ontbreekt. In het laatste anderhalf jaar kwamen er bij het meldpunt zo’n 360 telefoontjes binnen. Slechts een kwart daarvan ging over huiselijk geweld. Toch noemt Huang dat, met name vanwege de door haar genoemde geslotenheid, ’heel veel’.

China staat in de topvier van importbruiden. Ook dat is volgens haar een reden om aan te nemen dat huiselijk geweld een omvangrijker probleem is dan gedacht. Een gearrangeerd huwelijk zou een grotere voedingsbodem zijn voor relatieproblemen en huiselijk geweld, dan huwelijken met een vrije partnerkeuze

Maar socioloog Geense weet niet of huiselijk geweld onder Chinezen vaker voorkomt dan bij andere migrantengroepen of autochtone Nederlanders. Het beëindigen van de hulplijn wil hij ook niet, zoals Huang noemt, als een ’ramp’ kwalificeren. Dat met de hulplijn kennis over de Chinese gemeenschap verdwijnt, vindt Geense misschien nog wel het meest kwalijke. De meldpuntdossiers geven een beeld van de kwesties die spelen binnen de migrantengroep, zoals werkdruk en taalproblemen.

’Een gemiste kans’ voor de aanpak van wat Geense de werkelijke problematiek onder Chinezen noemt: de schijnintegratie die maakt dat deze groep onzichtbaar is voor de hulpverlening. „Chinezen werken over het algemeen keihard en hun kinderen doen het meestal goed op school. We hebben dus geen last van ze.” Maar het uitblijven van overlast is volgens hem geen graadmeter voor de mate van integratie.

Veel migranten bevinden zich op een ’redelijk grote afstand’ van de Nederlandse maatschappij, met name doordat ze in de Chinese horeca werkweken van zestig tot zeventig uur maken. De noodzaak voor Chineestalige hulpverlening staat volgens Geense dan ook buiten kijf. Hij denkt dat vooral angst voor roddel en sociale controle redenen zijn om de hulpverlening te vermijden.

„Chinezen zien hulpverleners als vertegenwoordigers van de overheid, omdat die hen betaalt. Als men in China zijn problemen aan een ambtenaar vertelt, is de kans groot dat dit publiekelijk bekend wordt en aan andere instanties wordt doorgegeven. Dat wantrouwen raken Chinezen hier niet gauw kwijt.”

mailIcon print |