Arie Boomsma (Marken, 1974) is radio- en televisiepresentator. Samen met Tijs van den Brink presenteert hij op Radio 1 het EO-programma ’Dit is de dag’. Op 2 november staat Arie Boomsma, in het kader van de Preek van de Leek, om 17.00 uur op de kansel van de Doopsgezinde kerk te Amsterdam.
I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
„Mijn geloof in God is bovenal een gerichtheid. Het moment waarop je die gerichtheid serieus neemt, worden andere goden – ijdelheid, succes, leuk gevonden willen worden – minder belangrijk. Ze zijn er altijd, die verleidingen, maar de God die ik volg is groter en sterker.
Ik probeer God te zien als een vriend. Het mooie aan die vriendschap is: ik bid, ik ga bij Hem te rade, maar ik verwacht niet onmiddellijk een antwoord. Deze zomer stond ik voor de keus al dan niet onder contract te gaan bij de EO. Dat is een stap die ik voorleg aan God. Dan kun jij zeggen dat de beslissing die ik neem de uitkomst van mijn eigen overpeinzingen is, maar ik kies ervoor daar de hand van God in te zien.
Voor mij is God een absolute waarheid, maar het heeft niet zo veel zin om alleen maar tegen anderen te roepen dat God de weg, de waarheid en het leven is, geloof in Jezus en je bent gered. Dat is namelijk meteen het einde van de dialoog. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zal zeggen: ’O prachtig, vertel me eens meer!’ Ik geloof in het gesprek: laten we eens kijken hoe onze levens lopen. Waar zie ik God en jij niet? Wat zie jij dan wel?
Ik zie Hem in de kleine momenten, als ik opsta en zeg: ’Laat deze dag in uw handen zijn’. Het schurkt aan tegen de naïviteit van een kind, dat weet ik wel, maar het biedt mij toch de zekerheid dat het oké is, wat er ook gebeurt. Maar als ik Hem in de kleine dingen wil zien moet ik ook erkennen dat Hij in de grote dingen aanwezig is. En dan kom je meteen uit op wat je als gelovige het vaakst krijgt voorgeschoteld: hoe kun je in een God geloven die toestaat dat er zulke verschrikkelijke dingen gebeuren? Ik kan niet doorgronden waarom Hij dingen doet of laat, maar juist die paradox – hoe kan een God van liefde, een God die ik het liefst als mens zie, verantwoordelijk zijn voor of in ieder geval getuige zijn van zo vreselijk veel ellende? – maakt het voor mij aantrekkelijk te blijven vragen, te blijven onderzoeken, te blijven bouwen. Ik geloof in een God die aan het begin en aan het einde van alles staat en dat Hij ons tussen die twee momenten in de volledige vrijheid schenkt. Maar ik kan je niets bewijzen. Ik kan God niet voor je bewijzen. Ik kan alleen mijn best doen God te laten zien in de manier waarop ik leef.”
II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in wateren onder de aarde is
„Mijn tatoeages zie ik niet als gesneden beelden, het zijn eerder symbolen – en er zullen er ongetwijfeld nog meer bijkomen. Vroeger droegen mensen een kruis aan een ketting of vertelden ze iedereen waarin ze geloofden – dit zijn de symbolen van mijn generatie en ik draag ze permanent bij me. Op mijn rug heb ik een oude Koptische afbeelding van Sint Joris en de draak; die tatoeage staat voor het aangaan van uitdagingen, voor de manier waarop ik met het evangelie de wereld inga en het kruis op mijn arm is het symbool voor mijn geloof in God. Het zijn weerspiegelingen van de bron van mijn overtuiging. Het gesneden beeld is de bron zélf. Stel: ik word verleid om opdrachten aan te nemen die veel geld op kunnen leveren. Dan kom ik in een modus van meer, meer, méér en ga ik succes of groei afmeten aan de hoogte van mijn inkomsten. Dát zou een gesneden beeld zijn, met het euroteken als symbool.”
III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
„Als ik vroeger met mijn moeder door de supermarkt liep en ze hoorde iemand ’Jezus!’ zeggen, dan riep ze altijd ’Prijs zijn naam!’. Toen schaamde ik mij daar vreselijk voor, maar nu – ja, ze doet het nog steeds – vind ik het prachtig. Ze claimt haar identiteit en maakt iets moois, iets vreugdevols, van wat voor die ander bitter was. Nu is mijn moeder een vrouw die je niets kwalijk kán nemen, maar de reacties zijn altijd goed. Mensen lachen, of zeggen sorry. Het is ludiek, maar óók sterk, trots. God is voor ons gestorven, dat geloof ik, prijs zijn naam.”
IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
„Ik hou ervan als de dingen op scherp staan en ik vond de kerk vroeger een plek die ik haast het liefst boos verliet. Wat ik nú weer had gehoord! Volgens mij is het anders, dus hup, naar huis, de Bijbel in, discussie zoeken, het oneens zijn. Tot ik ging merken dat de kerk er ook is om elkaar juist ergens in te vinden; je moet het allebei hebben. Misschien dat ik daarom wel twee kerken bezoek tegenwoordig.
Ik zit nog graag bij mijn vader in de kerk. Het is prachtig om te zien hoe hij zowel op een middag dertig grijze mensen als tijdens een jeugddienst tweehonderd jongeren weet te raken. Hij weet hoe je een link moet leggen met de actualiteit; welke rol het geloof kan spelen in het leven nú. Ik luister op een technische manier naar hem: hoe brengt hij dingen over, hoe reageren de mensen? Ik merk steeds meer hoezeer ik, eerst onbewust, daarna bewust, zijn manier van communiceren heb overgenomen. Er is natuurlijk een verschil tussen de keukentafel en de kansel, maar het is toch altijd mijn vader die ik hoor. Vriendjes, ook domineeskinderen, vertelden wel eens dat hun vader in de kerk haast een ander werd. Bij mijn vader was dat niet zo. Hij kon ons middenin een preek tot stilte manen en als hij, volgens mijn moeder, te grappig ging doen fluisterde ze: ’Tjonge, daar hebben we Hennie Huisman weer’.”
V Eer uw vader en uw moeder
„Als in een interview mijn geloof ter sprake komt, wordt mijn vader als eerste genoemd terwijl juist mijn moeder daar een even grote rol in speelt. Mijn vader heeft de theologische kennis, maar het is echt de combinatie; de wijze waarop zij samen het geloof in hun leven zien, die de vonk heeft doen overspringen. Ik heb me dat als kind natuurlijk niet gerealiseerd. Want wat betekent het geloof voor een kind? Het is niet meer dan een verhaal en omdat je ouders het vertellen is het de waarheid. Dan komt er een lange periode dat je er totaal niet mee bezig bent, dat het irrelevant lijkt voor je leven, maar uiteindelijk worden die wortels toch weer zichtbaar, je wilt onderzoeken en – in mijn geval – omarmen wat je in je jeugd hebt meegekregen. Ik zag hoe deze twee mensen hun leven op het geloof hadden gebouwd; hoe iedere stap vanuit die motivatie werd gezet. Ik zag weer voor me hoe ze in staat waren geweest een sfeer te scheppen waarin iedereen zich welkom voelde: onze vriendjes en vriendinnetjes, maar ook drugsverslaafden, daklozen, criminelen, zwakbegaafden, zendelingen – soms namen ze mensen maandenlang in huis.
Achteraf, altijd achteraf, want als kind denk je daar niet over na, ging ik me realiseren dat mijn ouders wel erg vaak met andere mensen bezig waren, maar ik heb dat toen niet als een gemis ervaren.
Nu begrijp ik waarom ik een bepaalde geldingsdrang bezit; in zo’n gezin moet je het hoogste woord voeren om gehoord te worden. Ik zal je zo’n typisch christelijk-gezin-uit-de- jaren-zeventig-voorbeeld geven: wij voetbalden en onze ouders kwamen bij toerbeurt naar de wedstrijd kijken. Dan speelde ik, voor mijn gevoel, de sterren van de hemel terwijl mijn moeder vooral zag hoe aardig dat jochie van de tegenpartij kon pingelen. Ze spraken niet zo snel uit dat ze trots op me waren, dingen werden een beetje voor lief genomen. Als je andere mensen maar ziet. De tegenstander overeind helpen was mooier dan drie doelpunten maken. Het is natuurlijk niet voor niks dat ik zo’n people pleaser ben geworden.
Natuurlijk: vaak verhuizen – omdat mijn vader steeds op andere plaatsen werd beroepen – heeft daarin ook een rol gespeeld. Ik moest me iedere keer opnieuw de groep eigen maken, de rol verwerven die ik wilde hebben: de populairste worden, de leider zijn. Of, op zijn minst: er voor zorgen dat ze met mij wilden spelen. Ik denk dat ik mensen in dat opzicht tekort heb gedaan. Ik wist dat ik op den duur tóch weer zou verhuizen en kon gewoon, uit lijfsbehoud, een streep door zo’n vriendschap zetten. Dat werd niet door iedereen begrepen. Ik heb, toen ik me daarvan bewust werd, oude vrienden nog eens opgezocht. Sommige vriendschappen zijn opgebloeid nadat ik die eerste stap heb gezet.
Weet je, die dingen gebeuren gewoon als je in zo’n setting opgroeit. Het heeft me ook veel gebracht: we zijn door al die verhuizingen een erg hecht gezin geworden. Dat merk ik iedere keer weer. De momenten waarop mijn ouders over hun ouders praten, of over de band die ze met ons hebben, over de dingen die we als gezin hebben meegemaakt, zijn mij het dierbaarst. Dan besef ik pas goed hoeveel ik van die mensen houd.”
VI Gij zult niet doodslaan
„Zelfs als ik zou geloven dat God alle leven als leven heeft bedoeld en dat er geen enkele uitzondering op zou mogen zijn, dan nóg zou ik niet van een ander, die God niet erkent, kunnen verwachten dat hij dat ook als waarheid aanvaardt. Neem bijvoorbeeld abortus: ik kan me goed voorstellen dat er situaties zijn waarin een vrouw er voor kiest abortus te plegen. Voor euthanasie geldt hetzelfde – maar laten we wel goed over deze rechten blijven nadenken, er dreigt een glijdende schaal en daarvoor is het leven te kostbaar.
Aan de mensen die beweren dat je voor God speelt, zou ik willen vragen: wanneer is dat spel dan precies begonnen? Is het dan wel aan ons om iemand die normaal gesproken al gestorven zou zijn soms jarenlang kunstmatig in leven te houden? Dat vind ik een van de moeilijkste dingen met de Bijbel: wie bepaalt wat we letterlijk nemen en wat niet? Als je alles letterlijk neemt, wil ik conservatieve christenen wel eens vragen waarom ze de doodstraf niet hanteren, geen slaven meer hebben en hun offerdieren niet op de juiste wijze slachten, terwijl het boek Exodus daar toch heel duidelijk over is.”
VII Gij zult niet echtbreken
„We zijn nu elf jaar samen. Ik heb altijd gezegd: dit is de ware, nooit meer een ander. Maar na acht jaar ging het uit. In dat jaar heb ik om me heen gekeken: zou ik misschien met deze, of met die vrouw‿ maar iedere keer weer dacht ik aan haar. Ik hou ervan om alleen te zijn, maar bij haar heb ik een enorme behoefte, een diep verlangen, om samen te zijn. We zijn gelukkig weer bij elkaar en binnenkort kunnen we eindelijk gaan trouwen. En wéér ben ik ervan overtuigd dat het voor eeuwig is, al kan ik me inmiddels ook voorstellen dat er dingen kunnen gebeuren in een leven die alles doen veranderen. Ik vind het een mooie, romantische gedachte dat je voor elkaar bestemd zou zijn, maar dan kom je toch snel uit op de vraag: is het dan zo dat er voor iedereen maar één andere persoon rondloopt? En bevindt die ander zich dan toevallig in jouw land, in jouw stad? Dat geloof ik niet.
Ik geloof wel dat je kiest voor één persoon en dat je je daar, met pieken en dalen, aan vasthoudt. Ik ken de verleiding. Ik ben een publieke persoon en word door sommige mensen aantrekkelijk gevonden, maar merk ook dat de opdringerigheid die er mee gepaard gaat het makkelijk(er) maakt afstand te houden. Mijn vriendin is zo wars van al die media-aandacht, van al de dingen die in dit vak zo worden opgeblazen, dat ik anderen haast tot in het negatieve oninteressant vind vergeleken met haar.”
VIII Gij zult niet stelen
„Vroeger, in de brugklas, was pikken een hobby van me. Dan gingen we met een hele groep een winkel in, of de markt op en dan maar kijken waar je mee terugkwam.
Ik zette graag de eerste stap in de vriendengroep als er iets moest gebeuren waar lef voor nodig was. Nu kan ik me doen gelden, dacht ik dan, nu kan ik laten zien. Mijn vader is dominee, ik niet. Kom maar op. Ik durf.”
IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
„Een tijd lang, toen ik nog zo’n people pleaser was, dikte ik dingen makkelijk aan. Zo ging ik naar een highschool in Amerika en hield daar kinderachtig stoere verhalen over de liberale Nederlandse geneugten. Ik had alle soorten drugs gebruikt: dat kon allemaal in Holland, we vinden het zelfs gewoon! Terwijl ik toen alleen nog maar een enkele keer met mijn vrienden één joint had gekocht, die we met z’n zevenen oprookten om vervolgens te doen alsof we stoned waren. Het is nooit helemaal overgegaan. Zeker als ik het idee heb in een bepaalde hoek te worden gedrongen krijg ik nog de neiging om er, met een overdrijving, uit te breken. Zo kan ik het, als gelovige met tatoeages en een fotomodellenverleden, soms in geen van beide kampen goed doen. Aan de ene kant van het spectrum staat de orthodoxe christen die verontwaardigd is als ik zeg dat we over ’een’ waarheid moesten spreken omdat ik besef dat niet iedereen mijn absolute waarheid deelt en aan de andere kant heb je de mensen die mij bij voorbaat veroordelen omdat ik ’die jongen van de EO’ ben en dus wel zus of zo zal denken. Ik heb me, in mijn rol van ongebruikelijke gelovige, een tijd lang verscheurd gevoeld, maar het is te laat om minder openhartig te zijn; dit zijn de verantwoordelijkheden die horen bij mijn manier van gelovig leven. Ik wil bruggen bouwen.
Niet alleen tussen gelovigen en niet-gelovigen maar ook binnen de diversiteit van de gelovige groep. Nee, het is niet waarvoor ik hier op aarde ben gezet, maar het is wel goed om niet vrijblijvend bezig te zijn; om het gevoel te hebben iets bij te dragen, om te kunnen geloven dat het goed is wat je doet.”
X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
„De Donorshow van BNN: dat vond ik echt briljant. Jammer dat we met de EO niet zoiets moois hebben verzonnen. In die zin kan ik wel jaloers zijn, maar nooit op een manier die zou betekenen dat ik ontevreden ben over wat ik doe. Mijn optimisme en mijn zelfvertrouwen zijn, wat dat betreft, nogal uit balans. Ik heb ooit eens geprobeerd een tijdschrift op te zetten. Jammerlijk gefaald, grote klap, maar na een tijdje was ik alweer aan een nieuw project begonnen. Op een of andere manier denk ik steeds: dat kan ik wel. Ja, dat gaat over werk, maar wat ik doe zegt ook iets over wie ik ben, over mijn visie op het leven.
Een opdracht? Komen we toch weer bij die voorbestemming uit‿ misschien draai ik wel om de hete brei heen – laat ik het zo zeggen: het geeft me voldoening mensen bij elkaar te brengen. Ik zie mijn islamitische buren bedrukt over straat lopen, dag in dag uit worden er negatieve dingen over hen gezegd. Ik ken die mensen. Als je ze een op een spreekt is het een heel ander verhaal. Daar komt je geloof echt om de hoek kijken. Als je een goed christen wil zijn – en je wilt af van al de vooroordelen die over christenen heersen – dan moet je dáár je verantwoordelijkheid nemen: omarm die Marokkaanse jochies, groet ze, schudt ze de hand, praat met ze, speel een rol in de media om de gaten te dichten, om de troepen bij elkaar te krijgen.
Natuurlijk heb ik mijn eigen, particuliere wens, maar die ligt daarvan in het verlengde: ik doe echt mijn best, maar ik ben nog steeds niet ongevoelig voor lof en kritiek. Het is net zoals met een sportwedstrijd spelen: winnen terwijl je slecht hebt gespeeld geeft iets minder voldoening dan goed spelen en winnen, maar goed spelen en tóch verliezen blijft echt onverteerbaar.
Ik wil niet alleen bruggen bouwen, ik wil ook dat anderen zien dat me dat lukt. Ik moet erkennen dat dat een zwaarwegende factor is. Ik ben helaas nog niet zoals Jezus, die zichzelf echt wegcijferde. Zoiets zou ik niet kunnen. Misschien moet ik dat maar toegeven.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.