*

 

Bloemen Mozes, van tingeltangel tot goktent

Anita Twaalfhoven − 23/10/08, 02:26

Over het bewogen leven van Adolph Stein, slangenmans, bloemenverkoper, charmeur, is een muziektheatervoorstelling gemaakt.

Op het toneel van theater Griffioen loopt acteur Jan van Eijndthoven rond met een mand bloemen. Om hem heen verzamelt zich een groep jonge musici, spelers en dansers. Als choreografe Carola Koppedraaijer het startsein geeft voor het revuenummer ’Happy Feet’, zet het orkest een vrolijke ragtime in en swingen de dansers over het podium. „Happy feet, I’ve got these happy feet”, zingen ze.

We zien het theaterleven in de Amsterdamse Nes, waar aan het begin van de twintigste eeuw het variété zijn hoogtijdagen beleefde. In de zogeheten tingeltangeltheaters verkocht een Joodse jongen met de bijnaam Bloemen Mozes destijds bloemen en bonbons aan de bezoekers. Met een muziektheatervoorstelling over zijn veelbewogen leven viert het Amsterdamse theater Griffioen van de Vrije Universiteit het tienjarig jubileum, met een cast van studenten en professionele spelers.

Directeur van het theater Ad de Ruyter stuitte enkele jaren geleden bij toeval op de memoires van deze kleurrijke man in een doos vol oude spullen op de zolder van zijn overleden tante. „Al na de eerste pagina liet het me niet meer los”, vertelt hij. „Ik las een meeslepend verhaal over een artiestenfamilie, waarvan de vader tijdens een act in circus Carré van zijn paard was gevallen. Hij stierf in de armen van zijn zwager, clown August. Als oudste van vijf kinderen moest zoon Adolph Stein daarna de kost verdienen voor het gezin en zo kwam hij als bloemenverkoper en slangenmens in het theaterleven terecht. Ik wist toen nog niet of het om een waar gebeurd verhaal ging, maar ik had wél het gevoel dat ik iets bijzonders in handen had.”

Hoe kwam De Ruyters tante aan dit dagboek? „Adolph Stein leefde in de oorlog eenzaam op een zolderkamer in Den Haag. Daar heeft hij zijn herinneringen neergeschreven en om wat geld bij elkaar te sprokkelen heeft hij het dagboek voor twintig gulden verkocht aan het Haags Gemeente-Archief. Later heeft een vriendin van mijn tante het in handen gekregen en overgetypt.”

Speurend naar meer informatie in de archieven, ontmoette De Ruyter historicus Pieter Stokvis, die samen met Cornelie van Uuden aan een boek over Bloemen Mozes bleek te werken. „Zij hebben de gebeurtenissen die Adolph Stein beschrijft nagetrokken en het blijkt overeen te komen met andere gegevens in de archieven. Maar hij heeft het natuurlijk wel geromantiseerd.” Het verhaal rond het dagboek doet denken aan dat van Anne Frank, met eenzelfde noodlottig einde. „In de memoires schrijft Stein: ’Wat kan ik eraan doen dat ik een Jood ben? Komt er nog een betere tijd?’

Pieter Stokvis vermoedt dat hij verraden is door een familielid, want verder had hij in die tijd nauwelijks sociale contacten. Waarschijnlijk is het zijn eigen zoon geweest, die zich bij de NSB had aangesloten.”

De Ruyter en Stokvis spraken af om het boek met de titel ’Bloemen Mozes. Het leven van Adolph Stein in de marge 1872-1944’ en de jubileumvoorstelling in dezelfde periode te laten verschijnen. Wat vonden de studenten ervan om over dit indringende levensverhaal een muziektheatervoorstelling te maken? „Het grijpt ze aan omdat het een authentiek en herkenbaar verhaal is, dat zich heeft afgespeeld in een buurt waar ze zelf ook uitgaan. Bloemen Mozes was te vinden in de cafés van de Nes en de Warmoesstraat. Hij begon als een arme sloeber met een slangenact, in een kostuum dat zijn moeder voor hem had gemaakt. Maar met zijn vrolijke gezicht en enorme charisma wist hij iedereen voor zich te winnen. Hij was een flamboyante man, streetwise en een echte overlever die alles aanpakte wat hem voor de voeten kwam.”

De voorstelling laat zien hoe hij zijn weg in het leven vindt en veel geld verdient als uitbater van nachtclubs in Amsterdam en Den Haag. „Hij kocht ook een goktent omdat hij graag gokte en een bioscoop omdat hij dol was op romantische zwijmelfilms. Het geld joeg hij er net zo snel doorheen als hij het verdiende en dan keert hij terug naar zijn oude stiel, het verkopen van bloemen. Hij had zo zijn zwakheden, en hield niet alleen van gokken maar was ook gek op vrouwen.”

Tijdens de repetitie in Theater Griffioen beaamt choreografe Carola Koppedraaijer dit: „Bloemen Mozes was een enorme charmeur”, zegt ze wijzend naar hoofdrolspeler Jan van Eijndthoven die met een serieus gezicht in zijn tekstboek leest. „Hij heeft drie vrouwen gehad, als zestigjarige trouwde hij als derde vrouw een meisje van zestien. Maar Sara Peper, die hij als tiener in de tingeltangeltheaters ontmoette, bleef zijn grote liefde.”

De doorloop van de voorstelling, met de studenten en professionele acteurs, laat zien hoe een oudere Adolph Stein aan de tafel op zijn kale zolderkamer zijn herinneringen neerschrijft. Melancholiek blikt hij terug op zijn jeugd, die op het toneel weer tot leven komt. De jonge Adolph raakt verzeild in een nachtleven vol uitbundig geklede variétéartiesten, aangevuld met dronken corpsballen en de plaatselijke ’penoze’ en ’temeiers’. In lekker plat Jiddisch en Bargoens staan ze elkaar te woord. In dat milieu raakt hij tot over zijn oren verliefd op het ontwapenende volksmeisje Sara, een rol van actrice Katarina Justic, die er later vandoor gaat met een gladde pooier.

„Attenoje!”, roept ze tegen Adolph die aan haar lippen hangt als ze vertelt over haar oma die een ’teringlijer’ is en de mannen die haar hun ’gehaktballen’ laten zien. Maar zo uitbundig als zijn leven is, zo bedroevend is het einde daarvan. Aan het slot van de voorstelling wordt hij verraden en opgepakt door de Duitsers. In 1944 stierf hij in Auschwitz.

mailIcon print |