Doris Lessing, die vorig jaar de Nobelprijs kreeg, schreef een tweedelige biografie van haar ouders. Een roman én een feitelijk verslag.
Op de toilettafel van de moeder van Doris Lessing stond een leren lijstje met daarin een foto van een jonge man. Een ernstige jonge man, schrijft Lessing in ’Alfred & Emily’: „Zelfs als kind kon ik naar dat gezicht kijken en denken: nou, met hem zou je niet veel lol hebben gehad.” Het merkwaardigste aan het portret echter was dat het geen echte foto was, maar een knipsel uit een krant. Was dit werkelijk het portret van de man die ooit haar moeders grote liefde was geweest, zoals ze beweerde?
Emily en Alfred Tayler, Lessings ouders, waren in de jaren twintig van Engeland naar Perzië en van Perzië naar Rhodesië verhuisd. Daar probeerden ze zoveel geld te verdienen dat ze naar Engeland terug zouden kunnen gaan. Het is ze niet gelukt. Alfred werd ziek, en ze belandden in een saaie bungalow in Salisbury, het huidige Harare. Na zijn dood sleet Emily, ooit een energieke en enthousiaste verpleegster, daar haar laatste jaren.
De ouders van Lessing wisten van aanpakken, maar ze maakten niet altijd de juiste keuzes. Je kunt ook zeggen dat de belangrijkste beslissingen voor hen werden gemaakt. Als er geen Eerste Wereldoorlog was geweest, had Alfred, die de slag om Passendale overleefde, zijn been niet verloren. Emily’s verloofde, een jonge, veelbelovende arts, was dan niet in het Kanaal verdronken, en Alfred en Emily zouden niet met elkaar zijn getrouwd en in een buitenwijk in Afrika zijn beland.
Een traditionele biograaf zou over hun leven een tragisch verhaal vertellen, vol gemiste kansen en nooit vervulde dromen. Zo niet Lessing. Zij besloot haar ouders in ’Alfred & Emily’ een beter leven te gunnen. Dat wil zeggen, deels. Want in het eerste deel van Lessings biografie, die zowel uit een roman als een feitelijk verslag bestaat, heeft de Eerste Wereldoorlog nooit plaatsgevonden. Alfred viert triomfen als cricketspeler en wordt boer. Emily wordt verpleegster en trouwt met een beroemde arts, die op het portret in het leren lijstje lijkt. Een postuum eerbetoon aan haar ouders, zou je denken; een passend geschenk van een negentigjarige, mild geworden door het verstrijken van de tijd en wijs door haar ervaringen.
Maar ook dat klopt niet. Lessing zou Lessing niet zijn als ze in haar biografie geen boodschap had verpakt. Echt gelukkig laat ze Emily niet worden in haar gefantaseerde leven, omdat ze, zelfs als romanpersonage, door onderdrukkende regels en vooroordelen wordt geleid. Haar fictieve man is ernstig, kil en conservatief, en Emily moet na haar huwelijk haar geliefde baan als verpleegster opgeven. Haar leven als getrouwde vrouw is leeg en saai. Als haar man vroeg sterft, gebruikt ze weliswaar haar organisatietalent om scholen voor arme kinderen op te richten, maar het succes daarvan wordt ondermijnd door schandalen.
Alfred, door Lessing altijd als een ideale vader beschouwd, krijgt van zijn dochter een beter leven. Hij trouwt met een lief, doortastend en vrolijk meisje, dat hem in alles ondersteunt; zo iemand die Lessing – en wie niet? - zelf ook graag als moeder had willen hebben.
In het tweede deel van ’Alfred & Emily’ legt Lessing uit hoe ze in deel I te werk is gegaan. Als een boetseerder gebruikte ze karaktertrekken en de ’stembuigingen, zuchten, en verlangende blikken’ van haar ouders om nieuwe portretten van hen te maken, waarmee ze je en passant een blik in haar atelier gunt. Belangrijker echter dan deze uitleg is het daarop volgende relaas van de feiten uit het leven van haar ouders. Dat geeft niet alleen diepte aan het verhaal uit het eerste deel, maar legt ook de drijfveren daarvan bloot.
Terugkijkend op de levens van haar ouders constateert Lessing dat de twintigste eeuw een aaneenschakeling is geweest van oorlog en onderdrukking. Niet alleen het leven van haar ouders werd daardoor bepaald, maar ook dat van haarzelf. In de eenentwintigste eeuw is het er niet beter op geworden. Er wordt nog steeds gevochten om geld en macht, en onderdrukkende ideeën over de plicht van ’de vrouw’ om thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen steken hun akelige kop weer op. Vluchten in fictie, zo moet ze concluderen, is een leuke bezigheid, maar zin heeft het niet. Het verhaal dat anderen – ministers, zakenmensen, generaals en mannen die graag soldaat willen spelen – van onze levens maken, verander je niet, ook al heb je nog zoveel fantasie, en word je honderd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.