Onlangs een week doorgebracht op een zeilschip in de Egeïsche Zee. Het voer, bij gebrek aan wind, vaak op de motor van baai naar baai langs de zuidwestkust van Turkije.
Het schip werd zelden verlaten, mijn bestaan was even met mijn vervoermiddel samengevallen. Een traag vervoermiddel bovendien – ik had het gevoel dat heel mijn leven tot stilstand kwam, tuffend en zeilend van niks naar nergens, alles ten dienste van het vervoermiddel zelf, want van de verplaatsing moest genoten worden, ook als die twee of drie knopen bedroeg.
Die verplaatsingsbehoefte van de mens, die zit diep. ’Onze vreemde nostalgieĆ«n dwingen ons telkens andere horizonnen op te roepen rondom onze ziel, die smacht, naar iets, dat zij zelve niet zeggen kan’. Louis Couperus schreef dit, aan het prille begin van de twintigste eeuw, gefascineerd door de opkomst van de eerste automobielen. Met dit citaat opent het tweede deel van een dinsdag bij de Walburg Pers verschenen standaardwerk over de geschiedenis van het vervoer in Nederland, onder de titel ’Van transport naar mobiliteit’. Dat tweede deel behandelt de twintigste eeuw en stelt de auto centraal. Het eerste deel beschrijft het vervoer in de negentiende eeuw, de binnenvaart, de trekschuiten, de paardentrams, de opkomst van de spoorwegen.
Het tweedelige werk, negenhonderd deels geïllustreerde pagina’s, waaraan door twee auteurs acht jaar is gewerkt, werd uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat, want zo’n leerzaam handboek, dat bestond nog niet. Dus viel al snel het woord ’uniek’ – uniek zelfs in de wereld. En passend dus bij de unieke historische positie van Nederland als transportland.
Want hemel, wat is in dit land allemaal niet verplaatst. We leefden in de achttiende eeuw concurrentieloos van de zeehavens van Amsterdam en Rotterdam, van aan- en doorvoer van waar uit de Verre Oost, totdat de opkomst van het spoor ook andere havensteden als Hamburg en Antwerpen toegang bood tot het Duitse achterland. Maar dat spoor verleidde tot nieuwe verplaatsingsbehoeften, niet alleen van goederen, maar vooral van de mens zelf. ’Het is’, lezen we in een poĆ«tische missive uit 1858 van de Groningse Kamer van Koophandel, ’alsof de spoorstaven de atmosfeer om zich heen magnetisch maken en alles in den omtrek neiging gevoelt zich te bewegen’.
Ook dit citaat komt uit dat handboek, uit het eerste deel, en gevoegd bij het Couperuscitaat belooft het een fijn werk te zijn, met veel lezenswaardigs. Maar echt magnetisch was natuurlijk de auto die het individu een nieuwe vrijheid tegemoet zoog en heel de samenleving in beweging zette. Het automobiele verlangen versterkte volgens de filosoof Peter Sloterdijk de ontwikkeling van ’een kinetische wereldreligie, het rollend sacrament dat ons deel laat hebben aan iets snellers dan wij zelf’.
Totdat je op zo’n zeilschip zit, en tot een gekmakende stilstand komt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.