Er is geen enkele reden om te morrelen aan de huidige verhouding tussen kerk en staat, vindt Harry Kuitert. „Die suggestie berust op een vergissing van sociale wetenschappers die niet weten wat godsdienst is.”
Wie het heeft over godsdienst als troublemaker, zoals ik in mijn nieuwe boek doe, heeft het al snel over de islam. Maar ik bedoel niet alleen de islam, zelfs niet in de eerste plaats. Minstens evenzeer heb ik het over de andere godsdienst in ons land, het christendom, in zijn protestantse en vooral rooms-katholieke versie. Zijn beide dan een bedreiging voor het publieke domein? Inderdaad, godsdiensten zijn dat vanwege hun dwingend karakter, wat het beroep op God of Allah met zich meebrengt. Vaak zijn daar consequenties aan verbonden die bijna zonder uitzondering als dwingend worden ervaren. Maar het kan verkeren, zeker nu de beide godsdiensten moed putten uit elkaars bestaan, en gezamenlijk de grenzen van het publieke domein zoeken om die te overschrijden.
Ik ben een vertegenwoordiger van de groep Nederlanders die in een van die godsdiensten is opgegroeid, te weten de christelijke. Daardoor heb ik oog gekregen voor de lange armen van het geloof zoals het functioneert in een gevestigde godsdienst. Geloof als octopus, en niet allereerst als vredestichter (wat het goddank ook nog kan zijn).
In het rapport ’Geloven in het publieke domein’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2006) hebben we kunnen lezen dat religie terug is van weggeweest. Op grond daarvan doet het rapport de suggestie om de scheiding tussen kerk en staat nog eens te bezien: moet die – nu de religie weer in is – niet nog eens kritisch worden bekeken?
Het advies berust op een vergissing van sociale wetenschappers die niet weten wat godsdienst is, maar wel wat ze zelf met religie bedoelen. Ze zijn niet in de huid van de reëel bestaande godsdiensten gekropen. Het is hun vak niet, akkoord, maar kun je wel over de scheiding tussen kerk en staat spreken als je de reëel bestaande godsdiensten met hun absolutismen eerst onder de thema’s heb gerangeerd waarover je verder niet zult spreken? Omdat je het zo graag over religie in je eigen definitie wil hebben? Mijn idee: het advies van het rapport draait helemaal niet om religie, maar om secularisatie en ongeloof. Dat ongeloof moet volgens de opstellers gestopt, het heeft zich veel te breed gemaakt, en moet, bij zoveel nieuwe religie, maar eens bakzeil halen. Niet dus: aan de verhouding tussen kerk en staat dient in ons land niet te worden gemorreld, zolang de christelijke kerk voor een van de grote godsdiensten in de wereld staat. De vrijheid van de burger hangt ervan af, en die vrijheid is in mijn ogen pas gegarandeerd als zowel de christelijke gelovige en de moslim als ook de ongelovige niet belaagd worden door het geloof van andersdenkenden. De niet-gelovige als toetssteen.
De terugkeer van religie is een antwoord op een periode dat religie in de verdrukking was, zo ziet het rapport de ontstane situatie van vandaag. De suggestie van de auteurs om daarom de verhouding tussen kerk en staat nog eens onder de loep te nemen is een vreemde, als we nagaan waaruit nieuwe religie bestaat. Lees hierover de rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau, want de onderzoekers daar hebben dat tenminste uitgezocht. Een lappendeken van verheven en platvloerse ideeën spreidt zich voor ons uit. Nieuwe religie? Deze religie is alleen maar ’nieuw’ vanwege één gemeenschappelijk kenmerk: ze is persoonlijke, niet-georganiseerde religiositeit. Ze heeft geen gedeelde leer of gedeelde verplichtingen, vertoont kortom geen enkel kenmerk van een reëel bestaande religie. Dus wat moet er dan zo nodig veranderd worden aan de verhouding tussen kerk en staat? Ruimere entree voor individuele gevoelens en overtuigingen? Maar die entree is nooit weggeweest, nooit verboden, nooit gedwarsboomd, ze heeft altijd haar plaats mogen hebben. Er is geen enkele reden om de opbloei van religie (nieuwe religie) tot basis te verheffen voor een heroverweging van de verhouding tussen kerk en staat.
De ongerijmdheid van dat advies wordt nog versterkt als we denken aan de nieuwkomer in ons land, de islam. Naar mijn idee is de islam, als reëel bestaande, institutionele, religie, een troublemaker. Een publiek domein waar het seculum, het besef van het tijdelijke heerst en niet God of Allah, is voor elke reëel bestaande religie een brug te ver – en zeker voor de islam. De islam streeft naar de eenheid van religie en cultuur. En die eenheid verliest nooit haar aantrekkingskracht, ook niet in het christendom. Mocht ik dat nog niet helder genoeg hebben gemaakt dan doet de Nederlandse nieuwkomer op politiek terrein dat wel: de ChristenUnie (CU), die de rol van de vroegere ARP en CHU aan het overnemen is.
Als die nieuwe religiositeit niets maar dan ook niets kerkelijks in zich heeft, geen enkele bevestiging is van wat ooit als christelijk werd uitgegeven door de kerken, wat beoogt het WRR-rapport dan met het voorstel om toch nog eens op de verhouding kerk en staat terug te komen?
Dat wordt kort en bondig duidelijk gemaakt door een van de hoofdauteurs, Wim van de Donk. Hij wil een ’overtuigd katholiek’ zijn, zo laat hij in een interview weten. En als overtuigd katholiek wil hij dat de religie achter de voordeur vandaan komt: religie is geen privézaak. Als knuppeltje gebruikt hij de nieuwe religie: het barst van religie, dus wat wil je? Religie is in, kruip uit je hok, kerk, en laat je niet wegmeppen.
Ik zie daar niet alleen een verwarring in over het verschijnsel religie, maar ook een strategie die de nieuwe religie voor de kar van de oude wil spannen. Zo moet de oude, bijvoorbeeld de rooms-katholieke kerk, weer uit het dal getrokken: geef haar meer ruimte om zich te laten gelden op wat het publieke domein heet!
Vreemd advies. Het publieke domein is juist het domein waar de kerken niet mogen voorschrijven wat moet of niet moet. Of moeten we bij meer religie denken aan naastenliefde, zich inspannen voor de publieke zaak, bestrijding van egoïsme en corruptie – is dat wat met religie wordt bedoeld? Geen nood, het mag niet alleen op het publieke terrein, het verkeert daar al zolang als dat terrein bestaat. Het is er ook nooit weggeweest, want het publieke domein zou allang opgehouden hebben te bestaan. Maar de verhouding tussen kerk en staat gaat over iets anders: over de rol van het heilig moeten in de samenleving, over wat ik het absolute karakter heb genoemd van de gehoorzaamheid aan God of Allah, over de onvoorwaardelijke gebondenheid aan de oekazes van reëel bestaande godsdiensten. Als het rapport van de WRR dat niet bedoelt met religie, waarvoor moet er dan zo nodig ruimte worden geschapen?
De kerk weer de politiek in jagen, daar lijkt het verhaal nog het meeste op. Een greep naar de macht, de straat overleveren aan de macht van de kerk, in haar roomse versie de kerk waar homo’s geen voet aan de grond krijgen, voorbehoedmiddelen verboden zijn, vrouwen geen ambt kunnen bekleden, de clerus boven het kerkvolk staat, en een onfeilbare paus weer boven de clerus – dat kolossale apparaat, moet dat de straat weer op, om de samenleving naar haar inzichten te ordenen? Ik begrijp het wantrouwen van niet-kerkelijke burgers.
Ik begrijp ook hun irritatie, want ik vergat nog een ding: het rapport is de zoveelste argeloze poging om begrippen als naastenliefde, engagement, of opkomen voor de samenleving te annexeren voor de religie. Daar tref je al die dingen aan die voor de samenleving zo belangrijk zijn. Zou het? Niet daarbuiten? Moet je religie (welke ook) aanhangen om je voor anderen in te zetten? Dat is een grootspraak die niet-religieuze mensen wel als aanmatigend moeten ervaren.
De opbloei van nieuwe religie wordt aangegrepen als offensief tegen het ongeloof. Dit moet betekenen dat de christelijke kerk haar rol niet uitgespeeld ziet, en alsnog probeert verloren terrein terug te winnen. Ik licht toe.
In het WRR-rapport lezen we dat de grootheden moderniteit en religie worden voorgesteld als antipoden. Dat is volgens de auteurs op empirische gronden een vertekening van de stand van zaken, die voornamelijk afkomstig is van natuurwetenschappers: mensen die voor God geen plaats hebben, atheïsten dus. Zij laten geducht van zich horen, hun bestaan wekt de suggestie dat het publieke domein zich ontwikkelt tot een antireligieus domein. ’Atheïst’ wordt in die context een negatieve kwalificatie. Zijn mensen die er geen geloof op nahouden wel in staat een bijdrage te leveren aan de samenleving? Ik verwijs naar twee instanties waar die vraag uitdrukkelijk wordt gesteld en vervolgens ook wordt beantwoord: zonder geloof kun je de publieke zaak niet dienen. Het stond in het CDA-blad Verkenningen, en het mag een slip of the tongue wezen, niettemin verraadt het een mentaliteit.
In gelijke zin drukte premier Balkenende zich trouwens uit toen hij in februari in De Telegraaf zei: „Zonder geloof kun je niet functioneren.” Ik heb goed genoteerd dat hij de uitspraak later betrokken wilde zien op zijn eigen geloof. Ik stel bovendien vast dat dergelijke uitspraken niet van heel het CDA afkomstig zijn, zomin als het verhaal van Van de Donk heel de rooms-katholieke kerk vertegenwoordigt. Maar ze laten wel een trend zien.
Tweede voorbeeld. De vroegere minister van ontwikkelingssamenwerking, Agnes van Ardenne, liet zich in het buitenland uit over de Nederlandse situatie op religieus gebied. In Nederland was in haar ogen de secularisatie te ver doorgeschoten. Niet-gelovige burgers hadden zoveel praatjes dat je van ’fundamentalistische secularisten’ kon spreken, te herkennen aan hun ongebreidelde kritiek op religie. Betreurenswaardig vond zij die kritiek, want religie bindt, zo viel in juni in NRC Handelsblad te lezen.Of dat laatste waar is laat ik hier in het midden, de minister nam de passage over de secularisten later terug, maar waarom schreef ze het dan?
Omdat het in de trend past die ik signaleerde: het publieke terrein wordt gezien als het speelveld dat door atheïstische voormannen is veroverd. Het zou goed zijn het aldaar heersende ongeloof terug te dringen, of omgekeerd: daar weer het geloof terug te krijgen. Seculier wordt in deze gedachtengang gelijkgesteld aan secularisatie, en secularisatie is ongelovigheid troef. De strijd tegen de secularisatie is in feite de strijd tegen de bezetting van het publieke domein door het ongeloof. Alsof ongeloof het kenmerk van het publieke domein zou zijn! Dit soort verwarring – ik kan het niet anders zien of het loopt uit op publiek onheil.
Zo wordt het vervolg duidelijk: het opschonen van het publieke domein gaat, en dat is mijn tweede punt, ten koste van de burgers die er geen geloof op nahouden, hetzij per ongeluk, hetzij omdat het is verdampt, hetzij omdat ze het met zoveel woorden hebben afgewezen. Bijvoorbeeld omdat ze het onzin vinden.
Daarmee zijn we ineens bij een nieuw een-tweetje: je mag van het geloof van de vrome moslim, noch van het christelijke geloof zeggen dat het onzin is. Dan blijk je te horen bij de fundamentalistische secularisten. Het mocht altijd gezegd, maar nu mag het niet meer, de opbloei van de religie betekent dat die tijden voorbijzijn. De niet-gelovige wordt een burger die op z’n woorden moet passen – dat is de uitkomst. Strategie? Misverstand? In elk geval vreemd.
In een land waarin het publieke domein het domein van het openbare leven is, bestaan geen tweederangsburgers, bestaan ongelovigen en gelovigen, kerkgangers en geen kerkgangers, nieuwe religieuze en niksen, islamieten en christenen, allemaal verschillend van elkaar, maar als ingezetenen zijn allen voor de wet gelijk. Burgers. Ze mogen elkaar de huid vol schelden, wordt het te bar dan kunnen en mogen ze naar de rechter stappen, maar tweederangsburger word je niet: noch door geloof noch door ongeloof.
De niet-gelovige wordt onder druk gezet, ik zie dat als een signaal dat men meer wil: een aanval op het seculum, de kerk moet weer het voortouw nemen. Merkwaardige uitkomst. De islam moeten we afleren om de religie met haar oekazes het land te laten regeren, terwijl onder autochtone burgers stemmen opgaan om de christelijke religie juist méér zeggenschap te geven, anders vaart het land niet wel. Of liggen de kaarten nog weer anders, en hebben islam en christendom volgens de kerkelijke christenen zoveel gemeen dat ze de handen ineen kunnen slaan: religie is tenslotte religie?
Ik vat een betoog samen dat Piet Hein Donner, een van de voormannen van de christen-democraten, enkele jaren geleden hield ter verdediging van christelijke organisaties. Niet-gelovigen vinden dat je in een democratie je religieuze overtuiging niet tot grondslag van een politieke of maatschappelijke organisatie kunt verheffen, maar of ze het willen toegeven of niet: ze maken zich er te makkelijk van af, en dichten gelovigen (christenen) iets toe waar ze zelf evenmin vrij van zijn: ongeloof is ook een geloof.
Sedert het opstel van Donner, dat in juni 2006 in deze krant verscheen, is het een geliefde slogan geworden, lees de kranten er maar op na. Ook minister Hirsch Ballin (’Niet-geloven is ook een geloof’, de Volkskrant, maart 2008) voegde zich in het koor.
Het geloof van de ongelovigen, wat is dat? Het kan niet missen, erachter gaat een armoedige definitie van geloof schuil: geloven als het voor waar houden van een religieuze voorstelling. Dat God de almachtige Schepper van hemel en aarde is, is voor de gelovige geen verzinsel maar een waarheid. Nu vragen waarheden om bewijs, daar zijn het waarheden voor. Maar geloofswaarheden kun je nu eenmaal niet bewijzen. Is dat dan het einde van het geloof? Nee, want de ongelovige kan evenmin bewijzen dat wat minister Donner gelooft niet waar is, en ziedaar: dat is dus ook een geloof! Wat niet kan worden bewezen, dat is de omschrijving van geloof. Zo creëert het geloof een laatste zone waar het nog droge voeten kan houden. Bij een andere gelegenheid heb ik deze redenering beschreven als ’Methode Saoedi-Arabië’ (’Schiften’, 2004). Een vriend die in Riad verbleef ging de discussie aan met moslimgeleerden. Dat kon in de jaren zestig van de vorige eeuw nog, zonder kleerscheuren op te lopen. Na uren palaveren beëindigden de moslimgeleerden het gesprek met: bewijs maar eens dat we ongelijk hebben! Nu, dat kon mijn vriend natuurlijk niet, en met een superieur glimlachje verlieten de moslimgeleerden de arena in de overtuiging dat hun gelijk vaststond, want er was geen tegenbewijs. Moet dat ook de manier worden waarop christenen in ons land hun geloof verdedigen?
Het heeft intussen weinig zin om ongeloof een geloof te noemen. Wat minister Donner gelooft is een mening, niets meer en niets minder. Hij noemt zijn mening een geloof, dat is natuurlijk prima, maar het is en blijft een mening. Als ik zeg dat ik zijn mening niet deel, houd ik er kennelijk een andere mening op na. De minister noemt mijn mening een geloof omdat hij zijn eigen mening zo noemt, en alle meningen die daarvan afwijken heten dus ook ’geloof’. Als Donner nu gezegd had dat ook ongelovigen een soort van religieus uitgangspunt hebben, dan was hij zijn wijsbegeerte, de Wijsbegeerte der Wetsidee trouw gebleven, en wisten we wat hij bedoelde. Als niet-geloven ook een geloof is, wat voor soort geloof is het dan?
De uitspraak verraadt bovendien vooringenomenheid, want geheel en al gedacht vanuit (christelijk) geloven als de normale, en zelfs normatieve situatie: geloven is de standaard, niet-geloven de afwijking. Ik begrijp de irritatie die mensen bekruipt als ze zo worden neergezet, en als ze ook nog eens moeten horen dat hun ongeloof eigenlijk een geloof is.
Wat de hoofdrol speelt is iets anders. Als ook de niet-gelovige een geloof heeft, brengt dat volgens Donner consequenties mee voor het optreden van ongelovigen op publiek terrein. Net als gelovigen moeten ook niet-gelovigen daar inbinden, en hun ongelovigheid niet uitleven ten overstaan van de anderen. Moeten ze dat: inbinden? En wat is dat? Een beetje minder ongelovig zijn, een beetje minder kritisch ten aanzien van wat er zoal wordt geloofd? Of vooral minder kritisch tegen een gevestigde religie zoals het christendom?
Het publieke domein is niet uitgevonden als vervanging voor godsdienstig geloof maar als domein waar godsdienstig geloof niet de dienst uitmaakt.
Wie daarvoor zijn hand in het vuur steekt, doet hetzelfde als wat Donner doet als hij zegt de seculiere staat te willen handhaven. Met geloof of ongeloof, met theïsme of atheïsme, heeft dat in de bres treden niets te maken: het is een praktische maatregel die het samenleven van mensen met verschillende religieuze achtergrond mogelijk maakt. De seculiere staat is geen product van welk geloof ook maar, ook niet een product van ongeloof, en wordt niet door een geloof, en al evenmin door ongeloof in stand gehouden.
Donners keuze voor het woordje geloof gaat ervan uit dat geloofsvoorstellingen (God, hemel, hel) naar echte werkelijkheid verwijzen. Dat mag iedere gelovige doen, allicht, maar of onze kijk op de wereld nu religieus is of niet-religieus, zowel in het ene als in het andere geval zijn we met menselijke, door mensen bedachte interpretaties van het bestaan bezig.
Dat minister Donner daar anders over denkt, daar kan ik niets op tegen hebben, behalve als ik hem (in het genoemde artikel) hoor zeggen: „Geloof dat houvast vindt in een waarheid buiten de menselijke werkelijkheid biedt meer oriëntatie dan een houvast in de dagelijkse werkelijkheid.” Ten eerste is ook een waarheid buiten de menselijke werkelijkheid altijd nog een door mensen bedachte waarheid, een bedenksel. Maar afgezien daarvan: in die regel spreekt Donner niet voor zichzelf maar verheft hij zijn geloofsopvatting tot een algemene waarheid, die – alsnog – de samenleving in tweeën verdeelt, in mensen die meer oriëntatie in huis hebben (de gelovigen), en mensen die minder hebben (de niet-gelovigen).
Dat moet arrogant overkomen, het kan niet missen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.