*

 

Tegen heug en meug de kansel op

Pauline Weseman − 11/10/08, 02:27

Een op de tien predikanten van de Nederlands-gereformeerde kerken verliet de laatste jaren zijn gemeente door problemen. Andere dominees raken opgebrand. „Sommigen hadden nooit dominee moeten worden.’’

  • Job Smit verruilde zijn gemeentepredikantschap na een burn-out voor een baan als ziekenhuispastor. (FOTO MARCO HOFSTEE)

’Kerkmensen zijn veranderd van een kudde schapen in een kruiwagen met kikkers. Ze kwaken voortdurend door elkaar heen en springen alle kanten op. In die hectiek wordt van ons geestelijke leiding verwacht. Het wordt steeds moeilijker om van de gemeente te houden’’, verzucht een predikant in het jongste themanummer ’Werkers in een veranderende kerk’ van Opbouw, het huismagazine van de Nederlands-gereformeerde kerken (NGK, ruim 32.000 leden).

Het blad zoekt de oorzaken voor een opvallend fenomeen in dat kerkgenootschap: een groeiend aantal predikanten moet korte tijd of zelfs definitief afhaken.

„We schamen ons er niet voor’’, is de reactie van Freddy Gerkema, NGK-predikant in Amersfoort-Noord en samensteller van het themanummer. „We constateren dat het te vaak niet loopt tussen gemeente en predikant en dat daar wat aan gedaan moet worden. Vastlopende predikanten komen overigens ook in andere kerken voor, zoals in de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt.’’

Wat is er aan de hand? De laatste acht jaar heeft zich wel bijna elk jaar een predikant losgemaakt van een gemeente, op een totaal van ruim tachtig predikanten, zo schat Gerkema in. Daarnaast zijn er predikanten die regelmatig overspannen worden en burn-out raken. Het aantal is onbekend. „Het is een verborgen probleem.”

De voornaamste vastloopredenen genoemd in Opbouw zijn veranderingen in tijd en maatschappij. Het gezag van de dominee is afgekalfd, gemeenteleden zijn kritischer en mondiger en eisen meer van hun voorman. „Vroeger hield je kritiek voor je, omdat het de dominee was’’, zegt Gerkema. „Nu krijg je kritiek soms ongezouten te horen. Er wordt meer op de persoon gespeeld.’’

Gerkema – zelf twintig jaar dominee, ’met plezier’ – vindt het werk óók ingewikkelder geworden. Activiteiten en de perfectiedrang namen toe. „Neem het gebruik van de beamer. Soms heb je het gevoel dat het niet mooi genoeg kan en dat je moet mee concurreren met wat leden in de maatschappij zien. Of de een wil meer psalmen, de ander meer Opwekkingsliederen. Je moet als predikant niet bezig zijn om iedereen te vriend te houden, je moet soms een dikke huid hebben en hebt tegelijk de gave van inschikkelijkheid nodig.’’

De ’nieuwe’ dominee moet dus bijna een communicatief wonder zijn. Bij de meeste ’losmakingen’ (dominee en kerk gaan uit elkaar) liep het stuk op communicatie, zegt Gerkema. „Predikanten botsten met de gemeente, waren te weinig mensgericht. Ja, als je er geen gein in hebt om een pastoraal traject met iemand te doorlopen, heb je toch een probleem. Bij sommigen kun je je afvragen of ze überhaupt dominee hadden moeten worden.’’

Dat dominees worstelen in de communicatie blijkt ook uit de anonieme e-mailgroep van ngk-predikanten. Een dominee vertelt hoe hij heeft moeten leren kritiek serieus te nemen. „Ik was zelf iemand, die alle kritiek theologisch etiketteerde en daarmee wegzette. Ik geloof – ik weet wel zeker – dat ik niet de enige was die met deze ’truc’ terechte kritiek van mij afhield.’’

De lastige combinatie van een eigen koers durven bepalen én anderen serieus nemen, zijn dan ook vaardigheden waarop de professionele coaches Marieke Jellema en Ton de Gans vanuit hun nevenpraktijk PastoRaad (vastgelopen) NGK-predikanten begeleiden. Wat het werk van de predikant bemoeilijkt, is dat van hen voortdurende beschikbaarheid wordt verwacht en het besef in een glazen huis te leven (‘practice what you preach’), constateren Jellema en De Gans. Een telefonisch spreekuur om zichzelf te beschermen wordt niet altijd in dank afgenomen.

In Opbouw concluderen zij: „Het gezag van de predikant lijkt meer en meer afhankelijk te zijn geworden van zijn functioneren, waarmee hij het gevaar loopt afhankelijk te worden van de gemeente en de onafhankelijke positie als geroepene te verliezen.’’

Jellema en De Gans vinden dat voorgangers vooral gecoacht moeten worden om zich staande te houden.

De toename in losmakingen heeft al geleid tot veranderingen in de Nederlands-gereformeerde predikantenopleiding in Apeldoorn. Nieuw is een korte oriënterende stage, een zelfreflecterend werkcollege ’persoonlijk functioneren’, een verplichte supervisie tijdens de eindstage en werkbegeleiding voor jonge predikanten. Bedoeld om er zo snel mogelijk achter te komen of het predikantschap echt iets voor hen is.

Volgens Gerkema is voorheen te veel gekeken naar de intellectuele en te weinig naar de pastorale vermogens. „Er zijn uit sommige kerkelijke regio-examens dominees tevoorschijn gekomen die geen dominee hadden moeten worden. Ze kregen het voordeel van de twijfel.’’

Het is volgens Gerkema te overwegen dat potentiële predikanten eerst maar eens een hbo-opleiding pastorale theologie volgen. Omdat hun vak ’ook praktisch’ is. Wie voluit als predikant wil werken in kerken, kan daarna naar de universiteit. Ook zou een jaarlijks gesprek met een professionele coach, kerkenraad en predikant – een soort APK – problemen kunnen voorkomen.

Tot slot moet bespreekbaar worden of het predikantschap per se een roeping voor het leven moet zijn, vindt de Amersfoortse predikant. „Predikanten zouden meer begeleid moeten kunnen worden naar banen binnen en buiten de gemeente. Via een soort outplacementtraject. Nu houden de kostwinnerverantwoordelijkheden sommige voorgangers tegen heug en meug op de preekstoel.’’

mailIcon print |