*

 

Gestrand aan voet van Fort Europa

Kees Beekmans − 17/10/09, 00:00

Afrikaanse migranten stranden vaker in Marokko, omdat het ze niet lukt Europa binnen te komen. Pas na jaren keren zij, moegestreden, terug naar huis. Met hulp.

  • Een Spaanse politieagente helpt een moeder met baby die in Melilla, een Spaanse enclave in Marokko, aan land probeerde te komen. (EPA)

De 23-jarige Simon uit Nigeria kwam in 2005 via Niger en Algerije naar Marokko. Van daaruit heeft hij drie keer geprobeerd Europa te bereiken: een keer met de boot – de zee bleek te wild – en twee keer via de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla. Ook die pogingen mislukten. Gedwongen tot een bedelbestaan in Marokko wil hij nu terug naar Ibadan, Nigeria.

Naar schatting bevinden zich zo’n vijftienduizend ’gelukszoekers’ of zogenoemde sans papiers in het koninkrijk. De laatste jaren zitten ze meer en meer in grote steden als Rabat en Casablanca. Voorheen zaten ze ’dichtbij de vertrekpunten’, ergens aan de Middellandse Zee of in de buurt van de Spaanse enclaves Ceuta en Mellila.

In de zomer van 2005 bestormden tientallen migranten die enclaves. Sindsdien zijn de hekken verhoogd en is de surveillance aangescherpt, iets waar de EU tientallen miljoenen aan meebetaalt. Pogingen de enclaves binnen te dringen zijn dan ook drastisch afgenomen, aldus Stephane Rostiaux, leidinggevende bij de International Organization for Migration (IOM), die migranten helpt bij een vrijwillige terugkeer. „Ze blijven nu noodgedwongen langer in Marokko hangen. Vóór 2005 bleven ze hier vaak maar een paar maanden, hooguit een jaar, nu eerder drie, vier jaar. Ze zijn hier letterlijk gestrand, kunnen geen kant meer op.”

Simon deelt een kamer met zes landgenoten in de volkswijk G5 in Rabat, waar ze gezamenlijk zestig euro per maand voor betalen. Omdat hij in de hoofdstad geen werk kan vinden – hij mag hier als illegaal ook niet werken – ziet hij zich gedwongen te bedelen. Per dag haalt hij gemiddeld twee, drie euro op, net genoeg om van te eten. Dit bestaan beu, klopte Simon vorige week aan bij de IOM. Hij wil terug.

De niet-gouvernementele organisatie heeft sinds vier jaar een speciaal terugkeerprogramma voor spijtoptanten. Het kost IOM drie maanden om de migranten te helpen aan de vereiste reispapieren én een ’reïntegratieproject’ in de steigers te zetten. Rostiaux: „Dat moet je niet te groot zien. Meestal heeft het iets met handel te maken, het verkopen van kleding, gebakken vis, of schapen. Als kapper aan de slag gaan is ook prima. We zorgen dat iemand in eigen land een nieuwe start kan maken.”

Omdat de ervaring heeft geleerd dat het beter is geen geld uit te delen worden in het land van herkomst, samen met een lokale IOM-medewerker, de benodigde spullen voor zo’n nieuwe start aangeschaft. Terugkeer inclusief reïntegratie kost de IOM twee keer de prijs van een vliegticket. Maar de meerwaarde, aldus Rostiaux, is groot.

„Zo beleven migranten hun terugkeer minder als een mislukking. Ze komen niet met lege handen aan. Met zo’n klein project kunnen ze in ieder geval zichzelf bedruipen, en creëren ze ook banden met hun omgeving, kunnen ze weer wortelschieten. Het weerhoudt ze bovendien nogmaals de reis te ondernemen.”

De migratieorganisatie heeft er succes mee. Een recente evaluatie wijst uit dat zeventig procent van deze kleinschalige projecten nog altijd bestaat, of is uitgegroeid tot iets groters. Rostiaux is er trots op: „Dat is een hoger percentage dan je gewoonlijk bij de microkredieten ziet. Daar slaagt vaak maar vijftig procent.”

De afgelopen vier jaar keerden ruim tweeduizend sans papiers via IOM terug naar hun land van herkomst, sinds twee jaar steevast met reïntegratieproject. Onder hen zijn veel Senegalezen en Malinezen, maar ook een enkeling uit Pakistan of Peru. Gemiddeld brengt de organisatie van Rostiaux dertig tot veertig migranten per maand naar het vliegveld van Casablanca.

mailIcon print |