De neergang van de DSB-bank roept bij werknemers dezelfde emoties op als destijds bij Fokker en Air Holland. Over de topman als pater familias en de plaats van DSB in de geschiedenis.
’Dírruk, Dírruk’ en ’Hansie, Hansie’ klonk het de afgelopen week uit de kelen van het DSB-personeel op het parkeerterrein in Wognum, bij de rechtbank in Amsterdam en voor menig Hilversumse studio waar oprichter/eigenaar en topman Dirk Scheringa zich vertoonde met zijn directeur Hans van Goor.
’Bénnie, Bénnie’ was in de weken voorafgaand aan die zwarte 15 maart 1996 regelmatig te horen op de parkeerplaats van Fokker op Schiphol- Oost. Voor de Fokker-werknemer was topman Ben van Schaik wat Dirk Scheringa is voor de werknemers van het bedrijf dat zijn naam draagt.
In tijden van nood sluiten de rijen zich. De afstand tussen top en basis wordt in zeer rap tempo verkleind en achter de naam verschijnt liefkozend de toevoeging ’ie’.
Net als ruim dertien jaar geleden bij vliegtuigbouwer Fokker kruipen de DSB-medewerkers bij elkaar en net als bij Fokker profileren collega’s zich plotseling als ’familieleden’. Topmannen krijgen dan de statuur van pater familias. Wat ze ook doen, als ze maar voor je knokken. Wie knokt, oogst gejuich en bij Scheringa glijdt dan een gelukzalige glimlach over zijn gezicht, zijn duimen gaan vrijwel automatisch omhoog. Van Schaik was ingetogener.
Er zijn blijkbaar mechanismen die vrijwel altijd in werking treden als faillissement dreigt. Op de laatste dagen van Fokker beloofden werknemers elkaar ook te zullen blijven zien als het doek toch viel. Als zij gezamenlijk op een en dezelfde vacature solliciteerden, zouden ze elkaar die baan gunnen zonder afgunst, zo werd beloofd. Vergelijkbare beloften vielen de afgelopen dagen op te tekenen uit de monden van leden van de DSB-familie. Natuurlijk zouden de relaties niet ophouden te bestaan als de bank van ’onze Dirk’ onverhoopt zou omvallen.
En toch zijn er ook grote verschillen te bespeuren tussen het actuele, dreigende faillissement en het op een na laatste grote debacle in de vaderlandse faillissementsgeschiedenis.
Wie zijn oor te luister legde bij de DSB-familie ontmoette vooral veel wrok. Minister Bos en centrale bankpresident Nout Wellink zijn de grote vijanden. Dat DSB een hulplijntje met miljoenen had gekregen van De Nederlandsche Bank, vergelijkbaar met het boedelkrediet dat Fokker in 1996 mocht ontvangen, werd nooit genoemd. Nee, Wellink en Bos moesten hun spierballen laten zien. Wel de grote gevestigde banken redden en niet dat kleine DSB uit Wognum. Kinnesinne dat hun Dirk zich zo mooi had opgewerkt. Maar de toekomst staat volgens DSB-werknemers wel vast: Bos’ en Wellinks koppen zullen, als alles wordt geopenbaard, wel rollen.
Wrok was bij de Fokkerianen een veel minder overheersende emotie. Natuurlijk had iedereen gehoopt dat minister Wijers van Economische Zaken meer zou doen om deze parel van de Hollandse maakindustrie te redden. Hij besloot de aankoop van vier toestellen te vervroegen en een boedelkrediet te geven. Met 335 miljoen, toen nog guldens, moest Fokker het een paar weken kunnen uitzingen. Er werd gehoopt dat de bewindvoerders een koper konden vinden. Maar Wijers kreeg de zwarte piet niet toegespeeld door de Fokkerianen zoals Bos en Wellink nu van het DSB-personeel wel krijgen. Voor het Fokker-personeel was vooral moederbedrijf Daimler-Benz de boosdoener. De raad van commissarissen van dat concern hakte op maandag 22 januari 1996 de navelstreng met Fokker door en draaide de geldkraan dicht.
Wat de Fokkerianen bond was hun liefde voor het product. Toen zij hun bureau moesten opruimen, werden de vliegtuigmodellen zorgvuldig ingepakt, de posters met de Fokker 100 keurig opgerold. Wie had ooit gedacht dat een dergelijk fraai stukje vliegtuigtechniek onverkoopbaar zou blijken. De allesoverheersende emotie was vooral onbegrip over een markt die maar niet wilde inzien hoe mooi die Fokker was en zijn tijd eigenlijk ver vooruit.
De liefde bij de DSB-werknemer zit vooral in de relatie met de topman. Scheringa roept af en toe een beeld op van een sekteleider die geen kwaad kan doen. De tegenspraak komt vooral van ex-werknemers. Als DSB-werknemers praten over hun product dan wordt altijd gesproken over twee periodes. Die van de laatst zes maanden met mooie nieuwe producten. En de periode daarvoor met producten waar fouten mee zijn gemaakt en die tot een klachtenstroom hebben geleid.
Wellicht het grootste verschil met dertien jaar geleden is de invloed van de media en vooral de tv. Geen dag ging voorbij of er dook wel een DSB’er op in een praatshow of een mediarubriek. Veel meer dan in 1993 werd nu de publieke opinie bespeeld.
Het was destijds ondenkbaar dat een voorzitter van de ondernemingsraad of een directeur een rechtszaak over de toekomst van het bedrijf verliet om op te treden bij programma’s als ’Pauw en Witteman’ of ’Nova’, zoals woensdagavond wel het geval was. Misschien dat de Fokker-familie dat ook niet nodig had gehad. Aan beeldvorming hoefde Fokker weinig te doen. Iedereen vond het wel zonde dat de vliegtuigbouwer crashte. Van een uniforme opinie over DSB is zeker geen sprake.
Als de reddingspoging mislukt zal DSB vermoedelijk geen hoofdrol kunnen spelen in de vaderlandse faillissementsgeschiedenis. Met het mogelijke verdwijnen van DSB valt niet het doek voor een industrie. De financiële dienstverlening draait heus wel door.
Het omvallen van Fokker daarentegen kan echter getypeerd worden als het definitieve vertrek van de grote maakindustrie uit Nederland nadat eerder de grote scheepswerven verdwenen. In die zin lijkt een exit van DSB meer op het faillissement – of liever gezegd: de reeks van faillissementen – van luchtvaartmaatschappij Air Holland.
In 1991 ging dat geesteskind van John Block voor het eerst onderuit. Geen groot bedrijf, maar wel een organisatie die zich net als DSB opwierp als een bestrijder van de gevestigde orde. Air Holland dat zich uitgaf als de ’enige echte onafhankelijke Nederlandse chartermaatschappij’ wenste een plek te bevechten op de door Martinair en Transavia gedomineerde markt.
Air Holland en DSB roepen een Calimero-gevoel op: Zij zijn groot en wij zijn klein en een faillissement is niet eerlijk. Dat Calimero-gevoel hing niet rond de ondergang van Fokker.
En dan is er ook nóg een heel sterke overeenkomst tussen Fokker en DSB: R. Schimmelpenninck is zijn naam. Bij Fokker was hij curator met A. Leuftink en A. Deterink. Bij DSB moet hij wellicht het licht uit doen samen met J. Kuiper.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.