Christianne Stotijn, Sophie Daneman, Joseph Breinl op 8/12, Concertgebouw Amsterdam; 12/12 in Antwerpen.
Eigenlijk hadden Christianne Stotijn en haar vaste pianist Joseph Breinl voor hun duettenprogramma in de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw gezelschap moeten krijgen van sopraan Susan Gritton. Maar die moest wegens persoonlijke omstandigheden afzeggen.
In Preludium – het programmablad van het Concertgebouw – werd met geen woord over Gritton gerept. En dat terwijl invalster Sophie Daneman (landgenote van de Britse Gritton) zich de baaierd aan sololiederen en duetten (van Purcell, Mendelssohn, Schumann. Brahms, Reger en Dvorak) toch in korte tijd eigen moest hebben gemaakt. Daneman is vooral bekend als oude muziekvertolkster. De duetten van Mendelssohn legde ze al eens op cd vast.
Het duettenrepertoire is altijd zo’n beetje het ondergeschoven kind in het oeuvre van de romantische componisten geweest. Bedoeld voor de huiselijke kring, zijn met name de werken van Mendelssohn eenvoudig van toon te noemen. Dat volkse – met zijn sprookjes, zijn heksen, zijn boerenliefde en zijn pastorale omgeving – is een kolfje naar de hand van Stotijn. Op 25 december vertolkt ze samen met Bernard Haitink en het Koninklijk Concertgebouworkest Mahlers liederen uit ’Des Knaben Wunderhorn’ in hetzelfde Concertgebouw: het summum van die 19de-eeuwse romantische volksigheid.
Het was jammer dat Daneman niet dezelfde klasse had als Stotijn. Hoewel beide roodharige zangeressen hun best hadden gedaan om hun galajurken met glitter op elkaar af te stemmen, was die chemie er niet altijd tussen de stemmen. Daneman had moeite haar volume te beheersen. Ze overheerste in balans regelmatig met onmuzikale uithalen, vooral als ze de hoogte in moest. Verder kon haar snelle vibrato niet uit. Dat was best vermoeiend.
In de lichtvoetig huppelende duetten van Purcell (’What can we poor women do?’) en Dvorak revancheerde Daneman zich enigszins. Daar fladderden de twee zangeressen mooi om elkaar heen, opgestuwd door pianist Breinl.
Breinl was sowieso op dreef als derde personage op het podium. De eenvoudige Mendelssohns en Purcells bracht hij onopgesmukt en puur. In Schumann, Brahms en de chromatische Reger had zijn spel diepgang en krulde hij zijn tonen knap om de zangeressen heen. Soms liet hij het voorlaatste akkoord mysterieus in het slotakkoord overvloeien. In de toegift ’Abendsegen’ van Humperdinck bijvoorbeeld, waardoor het leek of er een strijkorkest klonk.
In de sololiederen tilde de warme stem van Stotijn de muziek boven huiskamerniveau uit. Van Mendelssohns ’Nachtlied’ en ’Es weiss und rüt es doch keiner’, van Schumanns ’Schneeglöckchen’ en van Brahms ’Meerfahrt’ maakte ze perfect geacteerd-gezongen minidrama’s en zoog ze de ademloos luisterende zaal moeiteloos mee in haar winterse sprookjeswereld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.