Sinds zo’n twee maanden dobberen en slobberen hun jongen zelfstandig. En nu al is het de hoogste tijd om de nieuwe generatie voor te bereiden! Of die overweging echt door het fluweelzwarte koppie van de meerkoeten spookt, betwijfel ik.
Instinct, roepen we dan al gauw. Laatst vertelde mij een bioloog hoe zijn vakgenoten ’instinct’ definiĆ«ren. „Diergedrag dat we niet begrijpen”, zei hij. God geven we die rol ook: wat we niet begrijpen wijten we aan Hem. Naarmate we meer begrijpen, krimpt Gods rol. Daar kunnen andere rollen voor in de plaats komen, maar instinct is alleen een dooddoener voor onbegrip.
Meerkoeten trekken ’s winters graag met elkaar op. Ze scholen samen aan de rand van grasvelden. Ze stappen rond op die absurd grote poten, geveerd met kussentjes. Lobben, heten die kussentjes. Dankzij die lobben hebben meerkoeten zwemvliesachtige tenen. Geen echte vliezen zoals eenden, maar iets tussen-innigs. Ze zwemmen er goed mee en waggelen niet, maar stappen. Gezelligheid, veiligheid; reden genoeg voor een groepsleven.
Of handelen ze gedachteloos, doen ze zomaar wat? Instinct! Hoe dat ’instinct’ meerkoeten ’s winters ook tot groepsvorming stimuleert, de vier meerkoeten in de sloot naast ons huis missen het. Zijn ze daarom geen echte meerkoeten? Die twee stelletjes bekommeren zich vooral om hun territoria. Samen optrekken? Hun hoela! Hun grens trekken ze voor ons raam. Als een meerkoet er overheen dobbert, haast een rivaliserende meerkoet zich erheen. Met hoge kreetjes en geklapwiek wordt de illegaal het eigen water uitgezet. Straks, als de eieren gelegd worden, moeten die groepswezens nog een plekje zoeken. Zij zijn al klaar. Zij kennen geen gezelligheid, maar hebben de tijd mee. Koos Dijksterhuis
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.