*

 

Lol wint het van angst

Rinske Wels − 03/12/09, 00:00

Cabaretier Richard Groenendijk maakt one-man-tragikomedies: „Ik heb verdieping gezocht.”

  • Richard Groenendijk: 'Ik ben van het kleine leed en het sociale engagement.' (PUBLICITEITSFOTO)

De Kleinkunstacademie? Als kind dacht cabaretier Richard Groenendijk (37) dat je daar kon leren kleine ’kunstdingetjes’ te maken, zoals dasspelden, broches en oorbellen. Hij wijt het aan een cultureel geïsoleerde jeugd in Dirksland, een dorpje op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee. Groenendijk begon dus zonder die opleiding aan een theatercarrière die hem via cabaretfestival Cameretten (1995) bracht naar zes solovoorstellingen en het best-of-programma ’Terug bij af’ dat hij nu speelt. Hij viert daarmee dat hij tien jaar in het vak zit. Een vak dat, zo vindt hij, in veel opzichten twee kanten heeft.

„Ik vond het mooi om de afgelopen tien jaar in perspectief te zetten en te zien. ’Terug bij af’ gaat over beloftes en over of ze ingelost zijn of niet. Toen ik veertien jaar geleden meedeed aan Cameretten had ik een romantischer beeld van dit vak dan dat het in werkelijkheid is. Zonder dat het minder inspirerend is. De belofte is op een andere manier ingelost. Ik dacht: als ik eenmaal in het oude Luxor Theater sta, de zaal zit vol en ik krijg applaus, nou! Maar dat is het niet. Het is niet zozeer de glans van het vak die ik leuk vind, maar het maken van mijn eigen cabaretprogramma’s en het elke avond steeds weer opnieuw uitvinden. Bezig zijn met de inhoud. Ik heb, als ik terugkijk, te lang gedacht dat ik gelukkig zou worden van het applaus.”

„’Terug bij af’ is een heel persoonlijk programma geworden, ik ben hartstikke eerlijk. Hopelijk is dat herkenbaar voor het publiek. Ik doe een aantal ontboezemingen over de afgelopen tien jaar. Zo vertel ik dat ik al die tijd bang ben geweest voor het publiek. Het is niet zo dat degene die op het podium staat de macht in handen heeft, het publiek in de zaal heeft de macht. Ze beseffen het alleen niet. Er hoeft er maar één op te staan die zegt: ’Je was niks, je bent niks en je zult nooit wat worden’, en ik ben uitgespeeld voor de rest van de avond.”

„Ik heb me veel te lang gericht op wat ik niet kon. Inmiddels weet ik wat ik waard ben en ik ben overtuigd geraakt van mijn talent. Het klinkt misschien alsof optreden helemaal niet leuk is, maar daar zit weer die dubbelheid in. De wil om het doen en de lol die ik ervan heb, zijn groter dan alle angst die het me oplevert. Ik ben heel erg bang om te vliegen, maar ik heb een grotere wil om Thailand te zien. Dus ga ik wel naar Thailand.”

„Op het moment zelf realiseer je het je niet, maar achteraf zie ik dat ik succesvol ben omdat ik gekozen heb om datgene te doen wat ik het liefste wilde: mijn studie op de lange baan schuiven en voor twaalf mensen in theater Pepijn in Den Haag gaan staan. Dat is mijn grootste succes en dat hangt niet af van 150 of 1500 mensen in de zaal.”

„Ik heb er vier voorstellingen over gedaan om mijn eigen stijl te ontwikkelen. Dat is mijn Kleinkunstacademie geweest, want ik heb verder geen theateropleiding. Toen zei mijn regisseur, Dennis van Galen: ’Je kunt zo doorgaan, dan ben je een leuke entertainer. Maar je kunt ook verdieping aanbrengen. Nu moet je een stap maken, dit is het moment, anders blijf je hier eeuwig in hangen.’

Ik snapte het niet. Dacht in eerste instantie: lul niet, de mensen lachen toch? Het is toch goed zo?! Maar ik zag mezelf weer opkomen in een grote bontjas, met toeters en bellen en mijn ’moeder-ik-wil-bij-de-revue-achtige’ repertoire en ik wist dat hij gelijk had. Het vertellen van verhalen is mijn sterkste kant, dat deed ik vroeger en dat doe ik nog steeds. Het heeft alleen veel meer lagen gekregen, waardoor ik het zelf langer volhoud en het interessant kan houden. En ik merkte dat ik mensen ook kon raken met wat ik deed.”

„Het programma daarna, ’De adem van de nachtchinees’, was het beste. Daar ben ik voor het eerst iets aangegaan dat ik daar vóór niet durfde of deed: ik werd heel persoonlijk. Een Theo Maassen of Youp van ’t Hek zal ik nooit worden, ik maak geen maatschappijkritisch of politiek cabaret. Ik ben van het kleine leed en het sociale engagement. Zit in de hoek waar ook Marc-Marie Huijbregts en Brigitte Kaandorp zitten. In feite maak ik one-man-tragikomedies. Met ontzettend veel humor en zelfspot, maar er hangt ook altijd een zwaarte omheen. Dat zit in mij.”

„Als decor heb ik veertig oude tutu’s van Het Nationale Ballet opgekocht. Balletdansers denken alleen maar aan hun werk, zijn altijd bezig met hun houding, met wat ze eten, met beweging en rust. In die vakmatigheid en discipline ben ik totaal niet thuis. Ik leef bijvoorbeeld veel ongezonder dan een danser. Maar ik zie wel een parallel. Ik heb me de afgelopen tien jaar ook volledig op mijn werk gegooid. Mijn sociale leven heeft daar misschien niet onder geleden, maar ik heb mijn liefdesleven totaal verkwanseld. Als ze mij belden: ’Kom je morgen een lied zingen in Groningen?’, dan ging ik. Zonder rekening te houden met de gevoelens van een ander. Daarin ben ik ontzettend opportunistisch geweest.”

„Ik ben nu 37. Nog jong, maar niet meer de allerjongste. Een aantal dingen is al beslist, je bent geworden wie je bent. Wat ik je vertel klinkt misschien dramatisch, maar ik wil niet in een interview zeggen... (Richard zet een stemmetje op) ’Het is allemaal leuk en dit is het beste programma tot nu toe’. Ik ben blij dat mijn carrière zo goed gaat, maar ik wil me de komende tijd toch wel meer gaan richten op en me opstellen voor andere mensen.”

mailIcon print |