Ach, de jeugd van tegenwoordig. Luie donders zijn het, die geen enkel benul hebben van wat zich in de wereld afspeelt en de naam van hun premier amper kunnen spellen.
Ze zijn grenzeloos en vormen een tijdbom voor de samenleving, lees hierover het recente rapport van het onderzoeksbureau Motivaction. Die niksnutten zitten de hele dag achter hun Playstation, kijken naar SBS 6, staan uren voor de spiegel, lezen geen krant, zuipen zich in het weekeinde een coma of twee of staan stijf van de pillen tussen de politiekogels die naast hen in het zand ploffen. De meisjes kijken naar pornoclips op MTV en laten vervolgens hun schaamlippen corrigeren, terwijl de jongens in de rij staan om de laatste versie van ’Call of Duty’ te bemachtigen. In politiek zijn ze amper geïnteresseerd en daarom zo rechts als de pest. Maar vroeger ha, vroeger waren we heel anders. Hyper gepolitiseerd, maatschappelijk bewust, zelfverzekerd en natuurlijk links van links. Neem nou die goeie ouwe tijd, die jeugdjaren van mij, die zich midden in de seventies ontrolden. Eén ding was voor ons zeker: in het systeem zouden we zeker niet stappen. Alles om ons heen vonden we burgerlijk en daarom gedoemd om ten onder te gaan. Fier, arrogant en bewust van iedere stap voorwaarts die we zetten, hadden we besloten dat de wereld definitief niet deugde en heropgevoed diende te worden. Heel wat van mijn medescholieren waren bewonderaars van Mao, Lenin of Baader en kwijlden van genoegen bij het horen van de laatste verrichting van de Rote Armee Fraktion of de Brigade Rosse. Ni dieu, ni maître! Ik had een vriend die zich gespecialiseerd had in het verstoren van burgerlijke communicatiemiddelen. Zodra hij een telefooncel zag, moest hij die onklaar maken. Meestal door de hoorn eruit te rukken of door die te verpletteren. Dat daardoor honderden burgers benadeeld werden, deerde hem niet. Bij zijn eigen pappie, eigenaar van een chique boekhandel, zat wel zo’n ding. Daar hing hij zelf de hele dag aan om zijn vriendinnetje over zijn politieke acties bij te praten. Een paar andere schoolkameraden hadden een gezamenlijk levensproject voor de toekomst: nooit zouden ze werken, want wie een salaris ontving was al door het systeem ingekapseld. En omdat leren het begin van de ’aliënatie’ betekende, zaten ze driekwart van hun tijd in het café te discussiëren met hun lijfblad Révolution! in de jaszak. Behalve natuurlijk wanneer er weer gestaakt werd op school en lessen bij niet-stakers gestoord moesten worden. Dat ik overigens bij heel wat vriendjes een beetje uit de toon viel, kwam vooral door het feit dat ik lid was van een sportvereniging. En zoals iedereen weet, sporten in clubverband is nogal fascistoïde. Hoe dan ook: het was vergeleken met nu een goeie ouwe tijd waar de grenzen heel duidelijk werden aangegeven. Alleen jammer dat het met die bewuste en geëngageerde jongeren van toen niet altijd goed gekomen is. Veel depressies, hier en daar een zelfmoord of opnames in inrichtingen. Voor de rest, altijd beter natuurlijk dan de materialistische rotjeugd van tegenwoordig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.