In Trouw (14 november) verwijt Goslinga de ChristenUnie het spoor bijster te zijn door steun te geven aan de motie-De Pater, die de eed op Allah uit het publieke domein wil weren. De CU zou weinig tolerant zijn in een samenleving die verschillende geloven en culturen kent, herhaalt de krant een week later (commentaar 26 november).
Met alle respect, hier kan ik Goslinga niet volgen. De motie strekte ertoe om de formulering van de eed bij gemeenten en provincie wettelijk vast te leggen en zo gelijk te trekken met de landelijke regeling. Dat is geen breuk met de traditie, maar juist het doortrekken van de wettelijke formulering uit de Eedwet (1916). En die is ruimhartig genoeg. Wie niet kan instemmen met de tekst van de eed, kan de belofte afleggen. Dat kunnen christenen zijn die moeite hebben met de eed –om wat voor reden dan ook–, aanhangers van andere godsdiensten en ongelovigen. Dat is geen surrogaatoplossing, of beperking van religieuze pluriformiteit, want de belofte heeft een universeel karakter en kan dus altijd als vervanging van de eed dienen.
Een discussie over meer eedformuleringen zal oneindig zijn, net als de oneindige veelzijdigheid van levensbeschouwelijke stromingen in het land. Daarom is er ‘slechts’ één rustdag en is er voorrang voor christelijke feestdagen. Het voor andersgelovigen via cao’s mogelijk maken om op andere dagen naar synagoge of moskee te gaan, is een praktische overweging en een erkenning van de religieuze pluriformiteit. De belofte als alternatief voor de eed, is eenzelfde, praktische handreiking.
Ed Anker, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.