*

 

Een kruitvat dat bij voortduring nat moet worden gehouden

Hans Goslinga − 28/11/09, 00:00

Terwijl de Amsterdamse VVD het sociale werk van de stichting Tot heil des volks de nek poogde om te draaien, nam het VVD-Kamerlid Paul de Krom het in Den Haag op voor de mijter van de katholieke bisschop Sint Nicolaas. In het debat over de integratiepolitiek van minister Van der Laan noemde hij het een staaltje van de verfoeide toegeeflijkheid aan de islamitische cultuur dat Amsterdam het kruis op de mijter van de Sint heeft vervangen door de drie kruizen van het stadswapen. Hoe kunnen we van immigranten vragen in te burgeren als we niet duidelijk zijn over onze kernwaarden, vroeg hij zich af. Het D66-Kamerlid Van der Ham snelde hierop naar voren om duidelijk te maken dat de wereldse mijter al jarenlang een goed gebruik is in ’de meest seculiere stad van Nederland’. Het past ’in de klassieke traditie van Spinoza dat we daar geen kruis op zetten’, aldus de Amsterdamse democraat. Het botsinkje liet haarfijn zien hoezeer de liberale familie in zichzelf verdeeld en in verwarring is over de identiteit en de kernwaarden van de Nederlandse samenleving.

Van der Ham maakte in hetzelfde debat duidelijk dat D66 voor anker gaat bij de Grondwet als de voornaamste bindende kracht ’in onze vrije samenleving’. Maar het zal hem niet meevallen die visie te rijmen met de poging van zijn Amsterdamse partijgenoten en de andere seculiere partijen het sociale werk van ’Gods geuzen’ onder prostituees en drugsverslaafden van subsidie te beroven. De steun van de overheid is, zoals minister Ter Horst een dag later in de Kamer constateerde, niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat, zolang het maatschappelijke werk niet wordt vermengd met geloofsverkondiging.

Daarentegen lijken de bezwaren van de Amsterdamse raad tegen de hulporganisaties juist wel in strijd met de in de Grondwet verankerde godsdienstvrijheid. Zij getuigen hoe dan ook niet van de tolerantie en geestelijke vrijheid die de geloofsballing Spinoza in de zeventiende eeuw predikte. Als de Nederlandse grondwet, die geen rangorde in de grondrechten kent, één allesoverheersende opgave stelt, is het de verscheidenheid in de samenleving te aanvaarden. Ook in Amsterdam, dat weliswaar in meerderheid seculier is, maar 350 verschillende geloofsgemeenschappen telt.

Thorbecke, de politieke voorvader van zowel De Krom als Van der Ham, was consequent toen hij in 1853 in weerwil van een protestantse furie de katholieken de ruimte gaf hun kerkprovincie in Nederland te herstellen. De zojuist van kracht geworden grondwet bood hen die vrijheid, dus zag Thorbecke geen grond bezwaren op te werpen, ook al kostte deze logische gevolgtrekking zijn kabinet politiek de kop.

Vermoedelijk onderschatte de liberaal de heftigheid van de machtsstrijd tussen protestanten en katholieken, waarop de historicus Piet de Rooy onlangs wees. Een multireligieuze samenleving is, zei hij, niet zozeer ’een plaats vol interessante ontmoetingen, maar een arena waarin verschillende openbaringen vechten om een plek in de openbaarheid, zo niet om de hegemonie’. Dat is een invalshoek die wellicht veel verheldert, ook nu protestanten en katholieken na vier eeuwen met elkaar door één deur kunnen. Maar dat wil niet zeggen dat de strijd voorbij is.

In dat perspectief is er zelfs sprake van twee arena’s, die voor een deel door elkaar lopen. In de ene arena staan seculieren tegenover religie, in de andere orthodoxe christenen en verdedigers van de christelijke cultuur tegenover de islam. Van der Ham bevond zich met zijn verdediging van de mijter zonder christelijk kruis in de eerste, De Krom met zijn kritiek daarop in de tweede arena. Op dit ingewikkelde strijdtoneel is het zaak scherp in de gaten te houden hoe consistent partijen zijn.

Vaak is die consistentie ver te zoeken. Zo springt De Krom in de bres voor de christelijke cultuur, die zijn Amsterdamse partijgenoten juist om zeep willen helpen. Deze inconsistentie beperkt zich niet tot de seculiere partijen. Ook de christelijke partijen kunnen er wat van. CDA, ChristenUnie en SGP wonden zich deze week op over de aanval van het goddeloze Amsterdam op het christelijke sociale werk, terwijl ze vrijwel gelijktijdig poogden de eed op God van vreemde invloeden (Allah) te vrijwaren. Zo wordt Nederland vanzelf naar het woord van de socioloog J. A. A. van Doorn ’een kruitvat dat door de overheid bij voortduring nat moet worden gehouden’.

In de politiek, die voor een groot deel machtsstrijd is, hoeft het niet zachtzinnig toe te gaan, maar is het wel van belang ervoor te waken dat opportunisme, laat staan de grootste bek, de overhand krijgt. In dat opzicht is het jammer dat de Grondwet, misschien niet zozeer de letter als wel de geest, niet een voornamer plaats in het staatkundig leven inneemt. De historische wijsheid die er in samengebald is, laat alle ruimte voor politieke strijd, maar dwingt in het multireligieuze Nederland tot tolerantie, gematigdheid en consistentie.

Zou het constitutionele bewustzijn van burgers groter zijn, dan zou het voor politici minder makkelijk zijn selectief in de Grondwet te winkelen en afhankelijk van de omstandigheden een grondrecht voor hun karretje te spannen. Ze zouden dan eerder op hun vingers worden getikt. Dat deze correcties uitblijven en politici zich niet schamen voor hun opportunisme, laat de meest wezenlijke kloof tussen burgers en politiek zien. Door het gebrekkige bewustzijn van de ideeën waaruit de Grondwet is voortgekomen en het tekort aan vertrouwen in de ordenende kracht daarvan, heeft de integratiekwestie de natie meer dan nodig is uit het lood geslagen en de politiek onbestendig gemaakt en vatbaar voor hypes. In een zelfbewuste democratie had het populisme geen kans gemaakt.

mailIcon print |