„De herinnering kwam toen ik van iemand een tas zoete appelen kreeg, waarvan ik dacht dat ze niet meer te koop waren. Vroeger hadden we die bij ons in de tuin.
Begin jaren zestig. Het is eind september en ik zit met mijn vier zussen in de boomgaard, onder de boom met zoete appeltjes. We hadden allerlei appelbomen, maar de zoete appels vielen altijd als laatste van de boom. Die gingen in de hete bliksem. Daar waren we dol op, alleen hadden we geen zin om af te wachten. Wij wilden ze de boom uit hebben! De rode sterappeltjes lagen al wel op de grond en je raadt het al, dat werd met een sterappeltje gooien naar de zoete appels. We zaten op waterpolo, dus we konden goed mikken en plof, plof, succes! Triomfantelijk gingen we naar moeders: ’En nu gaan we hete bliksem eten!’. Maar streng als ze was - ze had ons allang bezig gezien – ging dat niet door, want ze moesten eerst gedroogd worden. Wat waren wij teleurgesteld!
Dat drogen was echt kinderarbeid. De zoete appelen moesten geschild en van pitjes ontdaan, daarna hingen we ze in partjes aan een katoenen draad geregen in de schoorsteenmantel achter de haard. Een kolenhaard natuurlijk, dat was toen normaal. Na ongeveer twee weken waren ze droog en werden ze in papieren zakken in de voorraadkast gehangen. Toen mijn moeder naar een aanleunwoning verhuisde, kwamen we nog allemaal zakjes appel tegen. Mijn zus is altijd in ons ouderlijk huis blijven wonen maar vorig jaar heeft ze het verkocht, en ik dacht meteen: dag, lekkere appeltjes... Inmiddels heb ik zelf een zoete-appelboompje geplant, maar hij wil nog niet zo groeien.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.