*

 

De wereld verbeteren of tomaten kweken

Monic Slingerland − 17/10/09, 00:00

In een moestuin is de drukte van de wereld ver weg en regeren de seizoenen, de planten en de dieren. Een plek van rust, maar ook van inspiratie.

  • (Trouw)

In het voorjaar van 1918, de Revolutie kolkte door Rusland, verliet de jonge journalist Konstantin Paustovskij als het even kon het centrum van Moskou. Op zijn vrije dag was hij het liefst in een buitenwijk. Misschien vreemd voor een journalist, geeft hij toe in zijn memoires – zeker voor een journalist die beseft dat in zijn stad op dat moment wereldgeschiedenis geschreven wordt.

In de buitenwijken van Moskou kijkt hij naar steegjes, begroeid met ’kwijnend gras’, naar de ’weke laag ganzerik’ op het plaveisel, naar oude olmen en naar de scheve, houten huizen, door balken gestut, naar het wasgoed dat er hangt, naar jonge katjes.

Hij weet wel waarin de bekoring ligt. In de buitenwijken van Moskou lijkt er nooit iets te veranderen. Door daar te zijn, voelt hij in zichzelf de uitdagingen borrelen die het leven hem kan bieden.

Op een dag, schrijft hij in zijn herinneringen, ontmoet hij daar een tuinder ’met een kapotte kiel’. De tuinder vertelt over zijn moestuin en Paustovskij gaat mee. De tuin, schrijft hij, is mooier dan een rozengaard. Terwijl ze samen in de moestuin staan, geeft de tuinman aan de jonge journalist zijn levensvisie. Je kunt, zegt hij, voor de vrijheid leven, of leven om mensen te veranderen, of om tomaten te kweken. „Het heeft allemaal zijn eer, zijn waarde en zijn roem.”

Zelfs in een tijd van schaarste en oorlog was de moestuin voor de arme tuinder meer dan een akker om van te eten. Dankzij de moestuin voelde de tuinder dat hij in de buitenwijk op zijn plaats was, en niet in het centrum van Moskou, waar de revolutie woedde.

Dankzij de moestuin voelde Paustovskij dat een groots en avontuurlijk leven hem wachtte. Diezelfde moestuin gaf beide mannen bevestiging voor zo uiteenlopende levens.

In de tijd dat Paustovskij (1892-1968) in Moskou over de moestuin liep, was de moestuin van huize Vollenhoven in Zeist al een eeuw in gebruik. „Het is teelgrond van twee eeuwen, en dat merk je”, zegt Lucie van Marwijk Kooy. Samen met haar man Marten beheert ze sinds 1997 de historische moestuin van Vollenhoven, een landgoed dat onderdeel is van de Stichtse Lustwarande. Het witte hoofdhuis is zichtbaar vanaf de doorgaande weg. Vollenhoven is met het hoofdhuis, de oranjerie, de Engelse tuin, de moestuin, de ijskelder en de bijgebouwen, een rijksmonument. Het terrein is 20 hectare. Groot genoeg om de moestuin een echte besloten tuin te laten zijn, ommuurd en verborgen. Dat geldt voor veel historische moestuinen. Niet de tuin was om mee te pronken, maar de vruchten ervan. Alleen een slangenmuur, gegolfd om meer zon op te vangen en daar dan fruitbomen tegenaan te zetten, wees op de bestemming.

Lucie van Marwijk Kooy woont met haar gezin, en met honden, kippen en schapen, naast de moestuin. Maar ook van dichtbij is die niet te zien. Een hek door, een poortje, langs de wei met de gevlekte varkens. Wie dan opkijkt, houdt even de adem in. Een ommuurde tuin, met rondom kolossale rode beuken. Oude kassen, koude bakken, druivenkassen met daarin een eeuw oude Frankenthalers, bedden vol delphiniums, pompoenen met het gewicht van een kleuter, tussen de langstelige Afrikanen. Een veldje met winterrogge. Oostindische kers in drie kleuren.

Lucie van Marwijk Kooy komt aangelopen, achter een kruiwagen met zakken grond. Ze zet de kruiwagen neer en veegt haar handen af aan haar broek. „Ik ben geen tuinier”, zegt ze. Een opmerkelijke uitspraak voor een beheerder van een historische, biologisch beheerde moestuin van anderhalve hectare. Ze werkt als dierenarts, de helft van de tijd. Hoe heeft ze geleerd om kardoen, pompoenen, brave hendrik en tomaten te telen? „Al doende. En door de achterkanten van de zakjes met zaad goed te lezen.”

Toen ze elf jaar geleden het beheer van de tuin kregen, vertelt ze, stonden ze voor de keuze. Hun voorganger was een echte kweker, maar door zijn leeftijd niet meer in staat geweest om de tuin goed te blijven onderhouden. „Wat gingen we doen met dit culturele erfgoed, want dat is het.”

De ommuurde tuin zou in zijn geheel een rozenkwekerij kunnen worden. „Maar dat zou betekenen dat in de hele tuin dezelfde bloemen groeien en dat er een parkeerplaats zou komen voor de klanten. Die beide dingen passen niet bij de diversiteit die altijd bij deze tuin gehoord heeft en bij de beslotenheid.” De tuin van Vollenhoven is drie dagen per jaar geopend, in juni. De familie besloot dat de tuin een productietuin zou blijven.

Lucie stapt een van de kassen binnen. „Deze kas is de anjerkas geweest. Die anjers dienden als knoopsgatbloem, tijdens grote partijen.” Nu kweekt ze er tomaten. Kleine gele, en ook ovale oranje minitomaatjes. Ze plukt er een paar. „Proef maar. En dan deze, die is anders. Wij selecteren de tomaten niet in de eerste plaats op bestendigheid tegen ziekten, maar vooral op de bijzondere smaak. En op het uiterlijk. Dit is trouwens een ouderwets ras.” Vollenhoven levert deze tomaten aan restaurants.

Het besluit viel om van de grote, ommuurde tuin weer een moestuin te maken met ook bloemen, net als vroeger.

Het echtpaar Van Marwijk Kooy tekende een plan. „We wilden gebruik maken van wat er was; niet te veel investeren. De hosta’s waarmee we dit deel afscheiden, stonden in de kassen. De buxushaag hebben we zelf stukje bij beetje aangelegd door steeds te stekken.”

Ze heeft hulp van acht vrijwilligers. „Sommigen zijn heel precies, die willen van een bed alle onkruidjes weghalen. Anderen houden meer van het grovere werk. Er zijn ook mensen bij die elders vastgelopen zijn en nu graag met hun handen in de grond werken. Tja, er komt dan iemand in de tuin werken, met een probleem. Drie jaar later werkt diezelfde persoon nog in de tuin, maar dan met een kleiner probleem. Het helpt wel.”

Aan het begin van de week maakt Lucie van Marwijk Kooy een takenlijst. „Maar het werk laat zich niet helemaal plannen. Als het hard regent, kun je niet schoffelen. Maar na de regen moet dat juist wel. We zijn een productietuin, we leveren aan restaurants, maar tegelijk moet je je niet al te druk maken. Dat heeft niet veel zin. Het voordeel van een gespreide productie is dat je nooit je hele oogst kwijt bent.”

Een oude, ommuurde moestuin als die van Vollenhoven, maakt op de bezoeker diepe indruk. Hoe kijkt Lucie van Marwijk Kooy zelf naar de tuin? „Ik zie vooral wat er nog gedaan moet worden. Ik kijk niet meer met een blik van: o, wat mooi. Er gaat elk jaar wel iets mis. Dit jaar zijn de bonen niet opgekomen. Geen idee hoe dat komt. Er gebeurt altijd wel wat. Duiven die een boerenkoolveld mollen, hazen die de jonge suikermaïs aanknagen, een ree die hier rond trippelt en overal een hapje van komt nemen, muizen die de bieten hebben aangevreten.”

Ze woelt wat blad opzij en laat een pompoen zien met een wrattig uiterlijk. „Ik kan wel heel verwonderd zijn dat er uit elk zaadje zoiets heel anders kan komen – iets kleins, of juist iets heel groots. Die informatie ligt erin opgeslagen.” We lopen verder langs een veldje met rode dahlia’s, meer dan een meter hoog. „Die zijn geplant na de open dag, in juni. Toen pas zijn die knollen de grond ingegaan en nu al zijn ze zo groot.”

Dahlia’s kunnen helemaal niet tegen vorst, maar gewassen als kardoen, een artisjokachtige, en brave hendrik wel. „Je ziet dat vroege gewassen, dus die je in het voorjaar al oogst, een diepe penwortel hebben. Die diepe wortels heeft een plant nodig voor het overwinteren. Anders overleef je het niet.”

Met de kruiwagen loopt ze terug naar huis. Nog even gaan we de druivenkas in, met de Frankenthalers. Ze laat het blad zien. „Schimmel. Daar is weinig aan te doen. Kijk naar de stam, ze zijn honderd jaar oud. Vatbaar voor ziektes. Een paar jaar geleden kreeg je aardig wat voor een kilo Frankenthalers. Maar ze zijn ingehaald door de pitloze druiven. Daar doe je niets aan.”

mailIcon print |