*

 

De gouden standaard

Theo Wubbels − 23/06/09, 16:48

Deze week schreef L. Hanemaaier over de beste groepgrootte bij de praktijkvakken in het vmbo: "Door gedegen onderzoek onder vmbo-docenten dient te worden vastgesteld wat de meest gewenste groepsgrootte voor hun vak is. Onbegrijpelijk dat dit nooit gebeurt."

Ik weet niet of de schrijver met gewenste bedoelt wat de docenten zelf graag willen. Mocht dat zo zijn, ik vind het wel interessant wat de leraren willen, maar zeker niet het enige dat telt. Belangrijker lijkt me hoeveel de leerlingen van de lessen opsteken.

Er is in andere dan de Nederlandse context van vmbo-praktijklessen wel onderzoek gedaan naar de effecten van klassengrootte op onderwijsopbrengst. Wat we aan klassenverkleining hebben uitgegeven blijkt weggegooid geld bezien vanuit hoeveel kinderen leren. Verkleining van klassen levert pas extra leerwinst op wanneer klassen in de buurt van de 15 komen.

Toch zullen leraren vast een klas van 25 boven een van 30 verkiezen. Voor hun arbeidssatisfactie is dat misschien wel bevorderlijk maar niet voor de effectiviteit van het onderwijs. Wat de praktijklessen betreft, lessen met ingewikkelde machines moeten vast in relatief kleine groepen. Maar als we echt willen weten hoe groot die klassen moeten zijn dan moeten we experimenten doen met verschillende klassengroottes en zowel leerlingen als leraren op basis van toeval in die verschillende klassen zetten.

We moeten er ook nog voor zorgen dat leraren en leerlingen niet weten dat ze aan een experiment deelnemen. Als maat voor effect kunnen we behalve de leerlingenresultaten de tevredenheid van de leraren meenemen en de kosten zijn natuurlijk ook een belangrijke variabele. Zo’n experiment, randomised controlled trial in vaktermen, is de beste onderzoeksmethode: onderzoek volgens de gouden standaard.

De opzet is afgekeken van de geneeskunde: de ene patiƫnt krijgt een nieuw geneesmiddel of behandeling en de andere een nepmiddel, een placebo. Toeval bepaalt wie wat krijgt. In het onderwijs blijkt dit type onderzoek niet gemakkelijk te verwezenlijken.

Natuurlijk zien leraren die geen kleinere klas krijgen dat anderen dat wel hebben en gaan ze klagen. Voor de leerlingen vinden we het ethisch onverantwoord iets nieuws dat veelbelovend lijkt aan een deel van hen te onthouden. In de geneeskunde accepteren we dat wel en mede daardoor is er over medische behandelingen veel meer bewijs voor wat werkt dan in het onderwijs.

In het onderwijsonderzoek zullen we gedwongen blijven onderzoek te doen dat minder zeggingskracht heeft, minder gedegen is. Wat uitgevonden wordt in onderzoek in de school zal weinig generaliserend zijn en wat in het laboratorium wordt gevonden kan moeilijk in de praktijk worden gebracht.

De roep om gedegen onderzoek kan echter alleen beantwoord worden wanneer we bereid zijn te aanvaarden dat we in het onderwijs echt gaan experimenteren.

Theo Wubbels is als onderwijskundige verbonden aan de Universiteit Utrecht. Zelf stond hij jarenlang voor de klas als leraar natuurkunde. Lees hier de rest van zijn columns.

mailIcon print |