*

 

Wim Helsen

arjan visser − 10/10/09, 00:00

Wim Helsen (Antwerpen, 1968) is cabaretier. Hij treedt regelmatig op in humoristische tv-programma’s maar werd vooral bekend door zijn cabaretvoorstellingen ’Heden soup’ en ’Bij mij zijt ge veilig’. Zijn nieuwe show ’Het uur van de prutser’ werd door de jury van de VSCD Cabaretprijzen onderscheiden met de Poelifinario.

  • Wim Helsen: 'Ik heb wel eens per mail een interview aan de Belgische Libelle gegeven dat volstaat met verzinsels. Het is kennelijk nog niet één lezer opgevallen.' (MARK KOHN)

„Die tien geboden, dat is voor mij zoiets als een wiskundige formule uit mijn schooltijd. Hoe begon het ook alweer? Bovenal bemint één God! Amai, een God die zegt dat je geen andere goden mag aanbidden? Ik geloof dat ik daar toen ook al niet erg van onder de indruk was. Ik groeide op in een katholieke omgeving die eigenlijk al heel erg was afgebrokkeld; mijn ouders kwamen zelf ook nog maar één keer per jaar in de kerk. De structuren bestonden nog, maar het was alleen vorm, buitenkant. Er werd weinig moeite gedaan om inhoud aan dat geloof te geven. Als er over God werd gepraat zeiden ze: ’Vroeger dachten de mensen dat God een man met een witte baard was, maar dat geloven we nu natuurlijk niet meer’ maar wat we dan wél moesten geloven, werd ons niet verteld. Een religieuze ervaring is voor mij: me verbonden weten met alles rondom mij. Ik ben klein, onbelangrijk, het maakt allemaal niets uit en het voelt tóch weldadig. Ja, oneindigheid, da’s misschien wel een beter woord voor God want als we God zeggen kunnen we het over jouw God hebben of over die van mij terwijl er niet twee soorten oneindigheid zijn. Nee, ik wil niet liever het woord oneindigheid gebruiken, daar kom jíj toch mee? Ik heb er helemaal geen woorden voor nodig. Het is een ervaring, een gevoel, en hoe meer ik ermee in contact ben, hoe beter ik me voel.

Soms probeer ik het leven in mijzelf te voelen, dan richt ik de aandacht op de binnenkant van mijn handen, net zo lang totdat mijn hand binnenin begint te tintelen. Die oefening geeft rust en ruimte, ik hecht minder belang aan de dingen die mij op dat moment dwarszitten en op den duur komt al mijn denken stil te liggen.”

„Hoe ging het ook al weer verder? Ah ja: Zweer niet ijdel, vloek noch spot. Daar had ik, in het spelevaren van mijn denken, ’zweer niet ijdel, spot niet spot’ van gemaakt. Het slaat nergens op, maar ik vond dat het beter klonk. Als je dit gebod iets van betekenis wil geven, dan zou ik zeggen: begraaf uzelf niet in negatieve gedachten. Ge kunt negatief denken, dat gevoel bij uzelf voeden en daar andere mensen bij gebruiken maar uiteindelijk is het destructief Ik las laatst een verhaal over eenden die, na een gevecht, nog één keer met hun vleugels schudden en dan gewoon weer verder dobberen. Die zijn daarna niet meer bezig met die ruzie – ’Denkt die nu dat de vijver van hem is soms?’ – terwijl wij er maar over door blijven gaan. Loslaten. Dat moet je leren.”

„Ik werk graag op zondag. De zondag, dat is zo’n triestigen dag. Vroeger ook al. Helemaal niks te doen. Ik herinner me een zondags programma op de Belgische radio: ’De Tijd Van Toen’. Ik zal het voor u zingen: ’De tijd van toen, herinneringen, aan leuke liedjes, melodietjes, uit vervlogen tijd allemaal! De tijd van toen’ Zo triest, zo verschrikkelijk triest. Het kwam soms ook op tv, gepresenteerd door zo’n stuk scheerschuimponum dat daar staat te lachen terwijl er helemaal niets is om u vrolijk over te maken. Het is daarom dat ik graag iets doe op zondag; om me te onttrekken aan die alomtegenwoordige niksigheid, om niet onder het deken van melancholie terecht te komen dat op die dag over de wereld wordt gelegd.”

„Als ik de baas van de Tien Geboden was, had ik dit gebod geschrapt. Volgens mij moet je de ene mens nooit meer eren dan de andere. Mensen die vinden dat ze te weinig worden gerespecteerd zijn vaak de naarste mensen die zelf helemaal geen respect op kunnen brengen voor anderen. Ik houd van mijn ouders – en ik put vreugde uit het feit dat ik van hen houd – maar dat gaat moeiteloos, ik hoef er mijn best niet voor te doen. Als je het zo zou uitleggen: ’Heb aandacht voor wat u is voorgegaan’, dan moeten we het misschien nog een tijdje aanhouden. In 2000 had het Vlaamse weekblad Humo een serie over honderdjarigen die stuk voor stuk fantastische verhalen vertelden over de tijd waarin ze nog luisterden naar Het Gesproken Dagblad op de radio, of een klomp gebruikten om te remmen als ze een eindje gingen fietsen, allez, al dat soort dingen: mooie, grappige verhalen die alles wat ik nu als vanzelfsprekend beschouw in perspectief plaatst en er ruimte aan geeft.

Mijn ouders zijn typisch brave, katholieke mensen. Mijn moeder is een boerendochter en mijn vader is de zoon van een schoolmeester. Mijn vader heeft geleden onder zijn katholieke opvoeding. Hij moest alle dagen om half zeven in de kerk zijn en hij kreeg les van priesters die zich als sadisten en hufters gedroegen. De beperking en de frustratie uit die jaren draagt hij nog altijd met zich mee. Mijn moeder, die maar één keer per week naar de mis ging, heeft het allemaal veel luchtiger ervaren. Het kostte haar ook minder moeite om denkpatronen van toen los te laten. Zo herinner ik mij dat er bij ons op school – een redelijk streng katholiek college – briefjes werden uitgedeeld door een of andere homobeweging waarin werd gevraagd of we wel wisten hoeveel procent van de jongeren homo was en enfin, onze schoolleiding was er niet van gediend en de jongens werden weggestuurd. Er kwam een tegenactie op gang – ik ben geen homo, maar ik kon wel zien dat er niks mis mee was – en daarover discussieerde ik thuis met mijn moeder die zich er toen, geheel volgens haar eigen programmering, helemaal van afkeerde maar dat denkbeeld tien jaar later alsnog zou laten varen. Met mijn vader was zo’n discussie überhaupt niet mogelijk geweest, nee. Of het was op ruzie uitgedraaid. Het contact met hem verliep stroever. In mijn puberteit extreem stroef en nu het is het klassieke verhaal van mededogen en rust, van naar elkaar kunnen kijken, van zélf kinderen krijgen. Ik weet niet hoe goed we elkaar kennen, veel hangt volgens mij af van hoe je in staat ben om die ouderrol los te laten. Een ouder is iemand die beschermt en richting geeft, maar gaandeweg moet je een andere positie in gaan nemen. Mijn kinderen zijn elf en zes. Ik probeer te zien wat zij leuk vinden, te begrijpen wat hen bezighoudt. Daar wil ik aandacht voor opbrengen. Als het lukt is dat tof, als het niet lukt is het ook goed. Vader zijn, dat is ook maar een rol hè? Ik wil vooral samen zijn.

Of ik dat bij mijn eigen vader heb gemist? Het lijkt me niet zinvol om die vraag te stellen. Het heeft geen zin om te graven in hoe het vroeger allemaal was. Dat is alleen maar nuttig als het u nog een inzicht geeft eh ja, dat is het. Goed, laat ik het anders zeggen: ik wil het er met jou niet over hebben. Er zijn dingen gebeurd in mijn jeugd, punt. Voor 95 procent ben ik daar klaar mee. En als er nog wat bovenkomt, zal ik daar op dat moment naar kijken en er iets mee doen. Het is voorbij. Het heeft me gevormd, da’s waar, maar dat geldt ook voor honderdduizend andere dingen in mijn jeugd.”

„Vroeger heb ik wel eens mensen doodgewenst. Volgens mij is dat bijna net zo erg als het doden zelf. Het is niet goed om boosaardige gedachten in uw kop te laten woekeren, vooral niet voor jezelf. Overigens geloof ik niet dat het altijd nodig is om je aan het gebod te houden. Ik herinner me dat ik, vlak voordat Ceausescu werd afgezet, een documentaire had gezien over het leven van een dissidente in Roemenië en het was mij zo duidelijk geworden wat voor een ongelooflijke klootzak die man was, dat ik blij was toen de dictator een paar weken later werd gefusilleerd. Wat moesten we met die gast? Niks meer van te leren, niets meer mee te doen. Ik zit hier echt niet te pleiten voor de doodstraf – en ik heb me ook afgevraagd hoe ik tot die gedachten kwam – maar het is me ook te simpel om er helemaal op tegen te zijn. Het is fascinerend: hoe kwam zo’n Ceausescu zo los van de realiteit te staan? Zo gespeend van elk menselijk gevoel? Hoe is het mogelijk dat iemand zulke gruwelijke dingen kan doen? Nee, het leert me niet dat de mens slecht is. Het leert me dat het menselijk denken disfunctioneel is. Ceausescu dacht dat hij het genie van de Karpaten was, maar uiteindelijk was hij niet meer dan een man die niet vaak genoeg de binnenkant van zijn handen heeft gevoeld.”

„Onze godsdienstleraar – een pastoor – zei dat ze vroeger vertelden dat je van masturberen blind werd of doof, ik weet het niet meer, misschien wel allebei maar dat dát natuurlijk onzin was en dat je er hooguit gefrustreerd van raakte en het je bovendien in de weg zou zitten als je een relatie met een echt, levend iemand aan zou gaan. Ik geloof niet dat er iemand was die deze man nog serieus nam. Hij straalde op geen enkele manier iets van autoriteit uit, niet als leraar noch als iemand die iets van het leven wist. Hij hielp ons niet verder, hij maakte ons niet bang en hij zorgde er ook niet voor dat ik me schuldig ging voelen – goddank, want zoiets kan u later nog fameus in de weg zitten. In retrospectief was het eigenlijk een beetje zielig: hoe hij te midden van alles wat nou juist wél interessant was – wiskunde, chemie, fysica, Latijn, Grieks, leren kritisch te denken, leren nuanceren - zijn godsdienstlessen af moest geven. En hoe hij er, op een krampachtige manier, nog een moderne draai aan probeerde te geven. Modern, zo heette dat dan. Dat hield bijvoorbeeld in dat we aan het begin van de les een lied mochten inleiden en laten horen. Wij maakten er al snel een competitie van om het langstdurende nummer te laten horen. Ik koos voor The End van The Doors, dat ging toch al gauw negen of tien minuten door. En dan er zo ’diep’ mogelijk bij gaan zitten kijken. Dát zijn mijn ervaringen met de katholieke leer: luchtig, niet relevant. Mijn vader, of mannen van zijn generatie, voelen vaak een diepgewortelde wrok of zelfs haat voor die pastoors. Dat heb ik niet. Zoals ik ze toen beleefde, waren het vooral een stelletje onnozelaars.”

„Een vriend van mij bouwde aan een prachtige bibliotheek. Toen ik dat zag, dacht ik wauw, dat wil ik ook. Ik had geen geld, dus ik begon te stelen. Ik had er ongeveer tien gepikt toen ik werd betrapt in de boekwinkel. Het was met een boek van Cesare Pavese, in de Fnac in Antwerpen. Er liep iemand achter mij aan. Als ik versnelde, versnelde hij ook. Ging ik trager, ging hij ook trager.

Toen ik eenmaal onderaan de trap stond, kwam er iemand voor me staan en de man die me was gevolgd tikte mij op mijn schouder. Of ze mijn aankopen mochten zien. Enfin, betrapt. Ik moest geld gaan halen en afrekenen. ’Een volgende keer halen we de politie erbij.’ Die waarschuwing was voldoende. Ik heb nooit meer gestolen.

Het blijft een interessant gegeven: stelen of bestolen worden. Het gaat ook over leren loslaten. Over mijn gestolen fietsen heb ik niet lang getreurd, maar ik ben ook wel eens in mijn eigen huis bestolen en dat vond ik minder plezant. Wij hielden toen onze achterdeur nog open. Op een dag was er geld uit mijn portefeuille verdwenen. Eerst dacht ik nog dat ik me vergiste; dat ik het al had uitgegeven. Toen gebeurde het nog een keer. En ook Fabienne, mijn vriendin, was geld kwijt. Eerst dachten we dat onze dochter het gedaan zou kunnen hebben, maar toen we haar ermee confronteerden bleek onmiddellijk dat dat niet het geval was. We deden voortaan de deur op slot en er werd niet meer gestolen. Er is een bushalte voor ons huis: waarschijnlijk heeft iemand gezien dat je bij ons zo naar binnen kon lopen. Ik heb er geen trauma aan overgehouden hoor, maar toch: het idee dat iemand in uw huis heeft zitten rondsnollen, in uw portefeuille heeft gezeten het voelde vervelend. Alsof iemand uw grenzen niet respecteert.”

„Liegen is een geweldig interessant en onderschat fenomeen. Het staat nogal in een kwaad daglicht, maar dat is belachelijk eigenlijk. Kijk, als ik een valse getuigenis afleg en het gevolg is dat jij de gevangenis invliegt dan is dat duidelijk niet goed, maar als ik – zoals alle ouders doen – tegen mijn kinderen zeg dat Sinterklaas bestaat, heb ik daar geen slechte bedoelingen mee en dan mag dat. Als het niemand schaadt mag je best iets zeggen wat niet waar is.

Ik ben nu het boek aan het lezen van Ivo Victoria, ’Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt)’ waarin het hoofdpersonage de neiging heeft om leugens te verzinnen – in dit geval dat hij mee zou hebben gedaan aan de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen. Die leugen houdt hij voor een vriendje lang vol.

Het interessante is, dat hij van dat liegen vooral zelf last heeft, achteraf. Het is ook heel boeiend om uit te vinden waar die neiging tot liegen vandaan komt, want die herken ik. Iedereen liegt. Toch? Ik heb nu nog niet gelogen, maar dat komt doordat ik dat één op één, met iemand die aandacht voor mij opbrengt en geïnteresseerd is, niet zo goed kan. Maar ik heb wel eens per mail een interview aan de Vlaamse Libelle gegeven dat helemaal volstaat met verzinsels. Het is kennelijk nog niet één lezer opgevallen, maar mensen die mij kennen weten dat ik nooit als achtjarige een paard ter wereld heb helpen brengen dat luistert naar de naam Brepobrepo.”

„Trouw is een mooi woord, maar het is vooral een alibi voor blinde bezitsdrang. Ik zeg niet dat je gehoor moet geven aan eender welke opstoot van hormonen – dat brengt alleen maar stress en problemen met zich mee – maar je moet het ook niet gaan ontkennen. En áls er iets gebeurt: hou het voor u. Opbiechten is alleen een manier om te proberen van uw eigen schuldgevoel af te komen. Ik spreek hier dus niet over mijn eigen relatie hè? En als je denkt dat ik iets te verbergen heb, zal ik daarover liegen. ”

„Het verlangen beter te worden dan een ander is zeker aanwezig geweest – en bij vlagen voel ik dat nog wel eens – maar het is nutteloos om daarmee bezig te zijn want het brengt niets op. Het helpt natuurlijk als je succesvol bent. Als de zaal vol zit, maakt het mij niet uit als een collega ergens anders voor een even volle zaal staat. Geldingsdrang? Dat is iets anders. Het is een misvatting om te denken dat iedereen die op een podium staat een grote geldingsdrang heeft.

Ja, een melkboer kan even veel geldingsdrang hebben. Of zelfs meer. Ik weet het niet. Ik ken eigenlijk niet zo veel melkboeren. Ja, de man die vroeger bij ons thuis kwam, maar die heb ik niet ervaren als iemand met veel geldingsdrang. Het was een hele brave mens die nog bij kardinaal Danneels in de klas had gezeten en maar allez, wat ik wil zeggen is dat het er mij uiteindelijk om gaat dat ik het publiek iets wil laten beleven en ik gebruik daarvoor alles wat ik tot mijn beschikking heb. Een geslaagde voorstelling is uiteindelijk een voorstelling die ik zelf het liefst zou zien.”

mailIcon print |