*

 

De publieke zaak, daar gaat ’t om

Nico de Fijter en Seije Slager − 02/09/09, 00:00

PvdA-leden dienen sober en dienstbaar te zijn, vindt de partijvoorzitter. Voor grootverdieners is geen plaats meer.

  • PvdA-voorzitter Lilianne Ploumen. (ANP)
  • (Trouw)

In de publieke sector ooit meer dan 181.000 euro verdiend? Dan zit een PvdA-bestuursfunctie er niet meer in. Wie voor de PvdA wil gaan besturen dient een sober en dienstbaar levenspad te bewandelen en daarbij passen geen salarissen die hoger zijn dan dat van de premier, vindt partijvoorzitter Lilianne Ploumen.

„Want mensen, u en ik pikken het niet langer”, schreef Ploumen het afgelopen weekeinde op haar weblog, „De vrijblijvendheid is voorbij.” Voor wie zich niet aan de nieuwe regel – onderdeel van een erecode die later deze maand wordt voltooid – wenst te houden, is er geen plek meer bij de PvdA.

De mogelijke bestuursambities van sociaal-democratische ziekenhuisbestuurders, schooldirecteuren en woningcorporatiebazen kunnen daarmee de prullenbak in. Want veel van hen verdienen meer dan de Balkenende-norm van 181.000 euro.

En er zijn nogal wat sociaal-democraten actief in de (semi-)publieke sector. Een ministerspost, staatssecretariaat, burgemeester- of wethouderschap zit er niet meer in.

Het is het jongste en zoveelste hoofdstuk in het debat over het grootverdienen in de publieke sector. Dat er wat moet gebeuren aan de hoogte van de salarissen in die sector, daar zijn velen het wel mee eens. Of de premier met die 181.000 euro wel genoeg verdient is nog onderwerp van discussie. Maar dat er er in de publieke sector niet meer verdiend zou moeten worden dan de premier, vindt brede steun.

Het is daarom lovenswaardig dat de PvdA een volgende stap zet in het debat, vindt de Nijmeegse hoogleraar ethiek Paul van Tongeren. „Er bestaat brede maatschappelijke steun om actie te ondernemen tegen die hoge salarissen, maar formeel is er nog niets geregeld. Waarom zou je dan niet zelf alvast het goede voorbeeld geven?”

De PvdA, zegt Van Tongeren, verwacht van haar vooraanstaande leden dat ze het goede voorbeeld geven. „De partij bindt de leden alvast aan datgene wat ze zelf fatsoenlijk vindt. Ik vind dat wel een sympathieke instelling. Het is vergelijkbaar met de salarisafdracht bij de SP, al gaat die natuurlijk nog wat verder. Je gedraagt je alvast naar hoe je vindt dat iets zou moeten, ook al is dat nog niet officieel geregeld.”

Volgens Van Tongeren komen anderen nu onder druk te staan om het voorbeeld te volgen. „Het zou prachtig zijn als andere partijen hier nu ook over gaan discussiëren.”

In de discussie over graaigedrag gaat het vaak over de vraag of die hoge salarissen nou wel of niet nodig zijn om goed gekwalificeerde mensen binnen te krijgen.

„Als de PvdA er straks in slaagt om onder deze strengere voorwaarden wel goede mensen te vinden, dan is dat een extra argument voor de mensen die voor matiging pleiten”, zegt Van Tongeren.

Kan zijn, zegt Karin Lasthuizen, universitair docent integriteit van bestuur aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, „maar door zo te focussen op de hoogte van de salarissen gaat de PvdA juist voorbij aan de belangrijkste vraag: is deze man of vrouw een goed bestuurder, wil hij zich inzetten voor de publieke zaak?”

Dat maakt dit debat volgens Lasthuizen enorm benepen. „Het gaat niet meer over vaardigheden, over motivatie, over inzet, over enthousiasme. In plaats daarvan moet elke mogelijke bestuurder verantwoording gaan afleggen over z’n in het verleden opgebouwde banksaldo.”

Het signaal dat de PvdA afgeeft – het grote verdienen in de publieke sector moet maar eens afgelopen zijn – valt ook wat Lasthuizen betreft louter toe te juichen, maar de manier waarop de partij dat doet getuigt van een verkeerde benadering van het werken voor de publieke zaak.

De jongste bijdrage van de PvdA in het debat moet volgens Lasthuizen vooral worden gezien als een imagopolitieke zet, ingegeven door populistisch opportunisme en het eeuwige gekanker over ’die zakkenvullers in Den Haag’.

„Bovendien geeft het blijk van integritisme: het steeds vaker opdoemende verschijnsel dat je alles in de samenleving langs de meetlat van integriteit legt. Kom je te laat op je werk? Niet integer. Heb je ooit veel verdiend? Niet integer.”

Terwijl het juist heel nobel én sober én dienstbaar is als een ziekenhuisdirecteur die een ton of drie, vier per jaar verdient bereid is onder die 181.000 euro te zakken als hij minister wordt? Hoe kun je daar tegen zijn?”

De forse stijging van salarissen in de (semi-)publieke sector vindt vooral haar oorsprong in de jaren negentig, vertelt Lasthuizen. „Dat was de tijd van professionalisering, van schaalvergroting, van efficiënter werken. Ministeries werden bedrijven, het moest allemaal marktconform worden. De hogere salariëring paste daarbij.”

„ Nu vinden we allemaal, terecht, dat we daarin zijn doorgeslagen en moet het weer de andere kant op. Dat laat zien dat normen en waarden over integriteit verschillen in tijd, plaats en context. Het is belangrijk dat we ons dat realiseren, zeker in dit debat. De PvdA realiseert zich dat duidelijk niet.”

Die sterke stijging van salarissen heeft een neveneffect gesorteerd, ziet ook Van Tongeren: „De beloning voor veel functies is verschoven naar het salaris. Vroeger school die beloning bijvoorbeeld ook in de status en het prestige dat zo’n functie aankleefde.”

„ Maar neem nu eens iemand die een vertrekbonus van 15 miljoen krijgt. Dat is zo’n hoog bedrag, dat kun je niet vergelijken met andere bedragen, in termen van wat je er allemaal voor kunt kopen. Daar zit dus een andere component in: prestige. Dat zit tegenwoordig in het salaris, niet meer in de functie zelf.”

Dat soort excessen speelt nog niet in de publieke of semi-publieke sector. Van Tongeren: „Maar de mensen die daar werken spiegelen zich wel aan de private sector, dus zulke zaken hebben wel invloed. Vooral omdat je tegenwoordig in de publieke sector een nieuw type manager ziet. Vroeger waren dat vooral mensen die zelf in de praktijk bij een organisatie waren begonnen, met hun poten in de modder, en die zich langzaam hadden opgewerkt.”

Tegenwoordig zie Van Tongeren managers die meer los staan van de organisatie waar ze leiding aan geven. „Die werken bijvoorbeeld eerst bij de vakbond, en daarna bij een onderwijsinstelling.”

„ Die vergelijken zichzelf dus ook niet meer met de andere mensen in die organisatie, maar spiegelen zich eerder aan andere managers, ook in het bedrijfsleven.”

Maar die spiegeling hoort helemaal niet, vindt Lasthuizen. „En uit veel onderzoeken blijkt ook dat mensen die voor de publieke zaak gaan werken toch echt andere motieven hebben dan mensen die in het bedrijfsleven terecht komen. Vaak zijn ze er trots op dat ze zich voor de publieke zaak kunnen inzetten.”

„ Daarom moet je ook oppassen met allerlei prestatienormen. Bij de politie bijvoorbeeld: politieagenten schrijven echt geen bekeuringen uit omdat ze een bepaalde norm moeten halen. Nee, dat doen ze omdat ze de samenleving willen dienen en de rechtsorde willen handhaven.”

Lasthuizen ondervroeg eens studenten bedrijfskunde en studenten bestuurskunde op hun motieven. De studenten bestuurskunde wilden graag bij de overheid gaan werken en zagen dat ook als een plek waar je iets kunt betekenen voor de samenleving, waar je trots op kunt zijn. De motieven van de studenten bedrijfskunde waren heel anders: zij deden hun studie om in het bedrijfsleven terecht te komen en daar snel carrière te maken en lekker veel geld te verdienen.

„Het is belangrijk dat we het onderscheid tussen werken in de publieke sector en de private sector blijven maken. Natuurlijk is het goed om over salariëring in de publieke sector te praten en natuurlijk moeten die salarissen niet exorbitant zijn. Maar de belangrijkste vraag blijft: wil je de publieke zaak dienen? Daar gaat het uiteindelijk om.”

mailIcon print |