De economische crisis begon met de Amerikaanse hypothekengekte. Hoe kan het dat de financiële pers in de VS geen alarm sloeg? Eén verslaggever geeft eerlijk antwoord: hij was druk bezig zijn eigen financiële graf te graven.
Als er nieuws is – bijvoorbeeld: de financiële markten in VS storten in, grote banken gaan failliet, de regering van het land valt van zijn geloof en probeert de storm te bedaren door miljarden dollars op de golven te gooien, maar de ellende breidt zich uit naar andere landen en de angst voor werkloosheid en een pensioenloze oude dag bevangt tycoon en taxichauffeur – wanneer er nieuws gebeurt, kortom, van enig belang, en de krant heeft de over elkaar buitelende gebeurtenissen zo goed mogelijk verslagen, dan hoor je in de redactievergadering al gauw: het wordt tijd voor een analyse.
De analyse is een van de troeven van die onderafdeling van journalistiek die nog geld durft te vragen voor het gebodene. Nieuws kan de lezer overal krijgen – als hij al niet bezig is het zelf te maken door te fotograferen of te twitteren vanaf zijn mobieltje. Maar een artikel of programma waardoor je het nieuws ook gaat begrijpen – dat vereist ervaring, verdieping, gesprekken met mensen die er verstand van hebben, gepeins, inspiratie. Tijd, kortom, en niveau. En een beetje lef.
Een van de beste definities van een analyse is: een artikel dat uitlegt waarom het nieuws zo moest gebeuren als het gebeurde. Waarom het eigenlijk niet verrassend is. Waarom het, zou je haast zeggen, geen nieuws is.
„Als er iemand is die de hypothekencatastrofe had moeten vermijden, dan ben ik het wel.” Zo begint Edmund Andrews zijn onlangs uitgekomen boek „Busted. Life inside the great mortgage meltdown”.
Andrews wacht op bericht van de bank. Die kan elk moment de executieverkoop aankondigen van zijn ’kleine maar voorname bakstenen huis in een groene, kinderrijke buurt’. Het staat in Silver Spring, niet ver van Washington.
Zijn hypotheek is er een voor mensen die aan de gewone voorwaarden – bijvoorbeeld: een toereikend inkomen – niet voldoen. Dat heet een subprime hypotheek. Het is dat soort leningen dat honderdduizenden Amerikanen in de financiële ellende deed belanden vanaf het moment dat de huizenprijzen ophielden te doen wat ze al jaren en jaren deden: stijgen.
Andrews sloot een financiële transactie af die, als het eenmaal tot veiling van zijn huis komt, als een dominosteen vele andere transacties zal vergallen, voor een veelvoud van die 414.000 dollar van hem. En hij had het, schrijft hij goudeerlijk in de allereerste zin van de inleiding van zijn boek, kunnen weten.
Want hij was – en is – redacteur financiëel-economische zaken van een van de beste kranten van de VS: de New York Times.
Wie benieuwd is naar hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen met zijn aandelenportefeuille of de dekkingsgraad van zijn pensioenfonds, kan aan ’Busted’ een hoop plezier beleven.
De financiële avonturen van Andrews gaan gepaard met veel details over de kredietcrisis, maar de hoofdpersonen zijn twee echte mensen. Die gun je hun droomhuis, hun tweede-kans-grote-liefde. En op andere momenten zou je ze het liefst de nek omdraaien of minstens toebijten: doe dat nou niet!
Andrews deed het wel. In 2004 kocht hij het huis, omdat hij na zijn scheiding een nieuwe start wilde maken met Patricia. Zo nieuw kon die start echter niet zijn. Hij was namelijk elke maand meer dan de helft van zijn nettosalaris kwijt aan alimentatie. Op zijn eentje kon hij de huur van een appartement nauwelijks opbrengen, laat staan de hypotheek voor dat droomhuis.
Maar dromen zijn er om waar te maken, zeker in Amerika. As je twee maanden lang oorlogscorrespondent ben geweest in Bagdad, wat stelt een gewaagde aankoop dan helemaal voor? En was Patricia niet, voordat ze huisvrouw werd, een dijk van een eindredacteur? Nadat zijn boek was verschenen, zochten bloggers overigens uit dat zij al twee keer failliet was geweest. Maar volgens Andrews stond dat er buiten.
Staande op de puinhopen van zijn huishoudbudget analyseert onze financiële journalist de bom die hij er zelf onder legde. Te beginnen bij Bob Andrews (geen familie), zijn hypotheekadviseur die voor elk probleem een oplossing wist. Te laag besteedbaar inkomen? Er zijn ’leugen-hypotheken’, waarvoor de banken bewust geen bewijsstukken vragen. Er zijn ook hypotheekverschaffers die helemaal niets over je willen weten. Ze vragen veel rente, maar de eerste vijf jaar nog niet. En wat doe je als de hoge rente begint? Bob: „Geen zorgen. De waarde van je huis is over vijf jaar gestegen. Dan kun je oversluiten.”
Heel de wereld heeft het moeten voelen: de huizenprijzen hielden zich niet aan die afspraak. En wat de journalist al lang had moeten vragen, vroeg Andrews achteraf: waarom maakte niemand zich daar zorgen over? Hijzelf had in elk geval geen idee wat er eigenlijk gebeurde met zijn hypotheek zodra hij daar in Bobs kantoortje een handtekening onder had gezet en wegliep, „met het gevoel dat ik iets had gedaan dat slecht was – maar ook wel cool.”
Wel, die hypotheek werd verkocht. Tussen de slapeloze nachten, de greep in de pensioenspaarpot, de nog maar eens opgehoogde hypotheek en de echtelijke ruzies, vlecht Andrews hoofdstukken met heldere verslaggeving over de steeds dollere rondedans van zijn geld.
Bobs baas, American Home Corporation, verkocht het schuldbewijs door aan een bank, en die weer aan een investeerder. Andrews’ maandelijkse rentebetaling moest zorgen dat die rendeerde.
Nu wil geen belegger zich natuurlijk verdiepen in de kredietwaardigheid van Edmund Andrews, pennelikker te Silver Spring, maar dat hoefde ook niet: waar Wall Street in handelde waren collateralised mortgage obligations, pakketten van hypotheken.
Zo groot was de vraag hiernaar, dat hypotheekverstrekkers steeds verder gingen om maar nieuwe hypotheken af te kunnen sluiten. De extreemste heetten in de wandelgangen ’kies-je-maandbetaling-hypotheken’. De huiseigenaar – inkomen, vermogen en krediethistorie onbelangrijk – gaf op wat hij maandelijks kon betalen. Was dat minder dan het rentetarief, dan werd de rest bij de schuld opgeteld.
Pakketten van zulke hypotheken hadden rommel moeten zijn in de ogen van elke belegger. Maar dat waren ze niet, want de kans op problemen, suggereerde de geschiedenis, was klein.
Daar ging het fout. Ooit werden subprime hypotheken verleend aan mensen die weliswaar slecht bij kas zaten, maar zich een slag in de rondte wilden werken om een huis te mogen bezitten. Nu was er een hele nieuwe groep geldleners in het spel gekomen, met nog minder mogelijkheden om die lening ooit echt te betalen en af te lossen. Sterker nog, de bemiddelaars gingen bewust op jacht naar arme en financieel niet zo goed onderlegde mensen om hun leningen aan te slijten.
De statistieken uit de jaren tachtig hadden daardoor geen enkele relatie met de situatie van de jaren negentig en daarna. Doordat de huizenprijzen alsmaar stegen, kwam dat niet aan de oppervlakte. Maar die stegen juist omdat ondertussen in de ogen van de banken bijna niemand meer te arm was voor een hypotheek.
De keurmeesters voor investeringen, bedrijven als Moody’s en Standard & Poor’s, gaven al die hypotheekpakketten routineus het kwaliteitskeurmerk AAA: hartstikke veilig. En omdat ze veilig waren, leek het veel banken en beleggers een goed idee ze te kopen met elders geleend geld. Hoe minder eigen geld je ergens in hebt zitten, hoe hoger immers het rendement – of het verlies, als het daarvan komt.
Edmund Andrews maakt het glashelder. Maar daar zit dus wel een probleem. Want wat nu helder is, had toen verdorie ook te doorzien moeten zijn. Misschien niet voor Ed Andrews – die was verliefd – maar dan toch voor tientallen collega-journalisten.
Dat weten die journalisten zelf ook wel. In toonaangevende media in de VS is ook wel aan zelfreflectie gedaan. Maar volgens Dean Starkman, die dit vakgebied van de journalistiek volgt voor de Columbia Journalism Review, niet met voldoende nederigheid.
„De financiële pers [is] een gebutst en gedeukt instituut, dat in het afgelopen decennium zijn fortuin en status zag kelderen, terwijl de instellingen waarover het verslag moest doen de aarde beheersten en regeringen naar hun hand zetten”, schreef hij in een overzichtsartikel. „De pers, zo is mijn overtuiging, begon te lijden aan een vorm van het Stockholm-syndroom.”
Met andere woorden: de financiële journalisten gedroegen zich als gijzelaars die de kant kozen van hun gijzelnemers. Starkman, voormalig redacteur bij de Wall Street Journal en onderzoeksjournalist met een Pulitzerprijs op zijn naam, baseert zich op de feiten: hij haalde van 2000 tot juni 2007 alle verhalen over gevaarlijke hypotheken uit de archieven van toonaangevende kranten en bladen als Forbes, Business Week, New York Times en Wall Street Journal.
Hij vroeg ook aan de redacties om zelf verhalen aan te dragen die op tijd, dat wil zeggen vóór de kredietcrisis losbrak, de lezer luid en duidelijk hadden gewaarschuwd voor het gevaar dat dreigde voor zijn of haar geld en voor de economie.
„Een compleet journalistiek specialisme ziet zijn onderwerp ineenstorten”, zegt Starkman, telefonisch vanuit New York. „Dan moeten de specialisten toch ook over zichzelf nadenken.”
U noemt wat de pers overkwam een voorbeeld van het Stockholm-syndroom. Maar de financiële pers was toch niet door de financiële wereld in gijzeling genomen?
„Tot op zekere hoogte vind ik van wel. Er was een zekere intellectuele gevangenschap, een over-identificatie met de instituties waar ze over schreven. De zegslieden, de bronnen, ze kwamen van een veel te beperkte groep. Het ging op een gegeven moment alleen nog maar over de winstcijfers van bedrijven en de reputaties van toplieden.”
Goede verhalen over de gevaren van subprime hypotheken voor de argeloze consument waren er eerst wel, maar het zakte in na 2003. Was het geen nieuws meer?
„Laat ik een poging tot verklaring doen: het begin en het midden van de jaren negentig waren een generale repetitie voor de kredietcrisis van nu. Er waren roofbanken, maar daar is actie tegen ondernomen. Door consumentengroepen, toezichthouders, openbare aanklagers en door de pers. Toen kwam de regering-Bush en en het hele politieke vertoog veranderde. Niet alleen geloofde George Bush niet in invloed van de federale regering op het zakenleven, hij vocht ook actief tegen de deelstaten die in dat gat wilden springen. De pers liet zich door die houding souffleren. De rol van de overheid kreeg minder nadruk. En er waren bovendien geen officiële onderzoeken meer waarover je kon schrijven. Het was ook bij hen uit de mode, kun je zeggen.”
Hoe reageerden de financiële collega’s op het onderzoek?
„Behoorlijk vijandig. Tijdens het werk kreeg ik al in de gaten wat de uitslag zou zijn, en eigenlijk kon ik die niet geloven. Zou de financiële pers werkelijk zo tekort zijn geschoten? Was er zo weinig confronterende verslaggeving? Ik ben toen gaan bellen met chefs van redacties, om te kijken of ik me vergiste. En ik kreeg daar hele discussies mee. Dan kwamen ze met goede verhalen, maar die waren van na 2007. Of ze kwamen met andere verhalen, meer over economische zeepbellen in het algemeen.
„Het publiek werd door de crisis verrast doordat het bankwezen niet meer gehoorzaamde aan de wetten van de rede, er heerste complete anarchie. Maar op de redacties zaten allemaal mensen van wie het intellect dat feit niet kon bevatten. Het is alsof je als stadsverslaggever zoals altijd netjes schrijft over het nieuwe park dat de burgemeester wil laten aanleggen, en opeens zie je hem in handboeien weggevoerd worden.”
Het ontbrak de pers dus aan cynisme?
„Nou nee, want mijn definitie van cynisme voor journalisten is: wat zou ik me druk maken, je kunt er niks aan doen, waar is journalistiek eigenlijk goed voor? Per definitie hoort idealisme juist bij de functie van een journalist: je kijkt naar een situatie en vergelijkt die met hoe het zou moeten zijn.”
„Over de resultaten van mijn onderzoek ben ik tegelijkertijd prettig verrast en gefrustreerd. Wanneer journalisten echt iets aan een misstand gingen doen, leidde dat in elk van die gevallen tot een officieel onderzoek. En dat toont aan dat als de pers van die rol afziet, het ons werkelijk duur te staan komt.”
Een analyse, zegt de vuistregel, legt uit waarom nieuws geen nieuws is: omdat het eraan zat te komen.
Het boek van Edmund Andrews heeft een mooi dubbelzinnige titel. ’Busted’ kan ’blut’ betekenen, maar ook ’betrapt’. Een boek lang balanceert hij tussen zelfbeschuldiging en zelfverdediging. Ja, hij deed alles fout. Maar terwijl het van een executieverkoop van zijn huis op het moment van verschijnen nog niet was gekomen, waren de meeste bedrijven waarmee hij geldzaken deed wel mooi failliet.
„Doe als de banken”, raadt hij zijn lotgenoten aan. Verontschuldig je niet. Ze wisten waar ze aan begonnen, veel beter dan jij.”
In het door Dean Starkman samengestelde lijstje van verhalen over subprime hypotheken komt Andrews drie keer voor.
In 2004 liet hij twee keer huizenkopers aan het woord die riskante leningen afsloten, ondanks de stijgende rente.
Toen moest hij zijn droomhuis nog kopen.
In 2005 signaleerde hij dat de overheid riskante hypotheken probeerde te ontmoedigen en daar weinig succes mee had. „Het belangrijkste voor de toezichthouders”, schreef hij, „is of de banken en andere geldverschaffers wel met hun risico’s omgaan zoals het hoort, en dat ziet er goed uit. Ze hebben hun risico’s afgedekt door hypotheken te bundelen tot beleggingen die dan verkocht worden aan investeerders overal ter wereld. En als de rente stijgt, zit veel van het risico bij de consumenten, omdat een steeds groter gedeelte van de huizenkopers hypotheken heeft genomen met variabele rente.”
Dat was een half jaar nadat de geldautomaat hem voor het eerst nee had verkocht en hij dus ook geen geld meer had om die geldverschaffers aan hun rendement te helpen. Kan Edmund Andrews de lezer van de New York Times nog wel onder ogen komen op de economiepagina?
Wat Andrews daar zelf van vindt, wil hij ondanks een eerdere toezegging niet kwijt. Zijn krant vindt van wel: om de paar dagen staat zijn naam boven stukken over de toestand van de economie.
En Dean Starkman, die de financiële journalistiek als collectief een dikke onvoldoende geeft voor waakzaamheid en onafhankelijk denken, kan het van een individuele economieredacteur billijken dat hij in de aanloop naar de kredietcrisis blut is geraakt. Want al is het jammer dat de journalistiek niet op tijd waarschuwde, de schuld heeft ze niet.
„Geloof me, tien miljoen mensen lopen niet toevallig met zijn allen een afgrond in. Als van alle Jeeps een op de vijf een ongeluk krijgt, ligt dat niet aan onvoorzichtige chauffeurs, dan ga je naar de fabrikant kijken. Andrews mag een persoonlijke fout hebben gemaakt – met 4000 dollar alimentatieverplichtingen toch een nieuw huis kopen, gokkend dat zijn vrouw wel werk zou vinden – voor heel veel Amerikanen geldt dat niet.”
Stel, u bent chef economie. Zou u zo’n redacteur niet minstens overplaatsen?
„Nee. Dan zou hij slechte stukken geschreven moeten hebben. En dan had ik hem als het goed is al eerder ontslagen.”
„Je moet meer weten voor je zo’n beslissing neemt. Mogelijk was hij in zijn privéleven zo onverstandig doordat ik hem te hard liet werken. En: misschien is hij door deze ervaring wel veel beter gaan schrijven over gevaarlijke hypotheken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.