Een betere verdeling van arbeid en zorg over mannen en vrouwen begint bij ouders. Arbeidspatronen gaan over van generatie op generatie.
Ouders hebben invloed op de manier waarop hun kinderen later in hun eigen gezin arbeid en zorg verdelen. Zo hebben dochters van werkende moeders vaak grotere banen dan leeftijdgenoten met thuismoeders. Ze kunnen daardoor economisch onafhankelijker zijn.
Dat blijkt uit onderzoek van sociologe Anne van Putten. Ze promoveert komende vrijdag aan de Universiteit Utrecht op een uitgebreide studie naar arbeidspatronen.
Er zijn tal van andere factoren die bepalen of en hoeveel uren iemand werkt, maar er is een duidelijk verband tussen werkende moeders en het aantal uren dat hun dochters werken. „Voor moeders is het belangrijk te weten dat stoppen met werken – om voor kinderen te zorgen – invloed kan hebben op de latere financiële zelfstandigheid van hun dochters”, zegt Van Putten.
Dochters die kunnen terugvallen op het voorbeeld van hoe hun werkende moeders werk en zorg combineerden, zullen zich meer roldoorbrekend gedragen. Bovendien geeft de baan van hun moeder hen een betere startpositie, omdat er meer geld is voor bijvoorbeeld bijles of moeder vanuit haar eigen netwerk kan bemiddelen bij een stage of een eerste baan.
Ook voor het beleid is de uitkomst van Van Puttens onderzoek relevant. Met het oog op de vergrijzing wil de overheid dat vrouwen meer gaan werken om krapte op de arbeidsmarkt te voorkomen. Nederland onderscheidt zich nu van andere westerse landen door het enorme aantal kleine deeltijdbanen onder werkende vrouwen. Wat het kabinet betreft moet dat naar deeltijd-plus.
Dochters van moeders met betaalde banen werken anderhalf tot twee uur meer per week. Gaat iedere vrouw zoveel meer werken, dan stijgt het totale arbeidsaanbod van vrouwen zes tot zeven procent, berekende de sociologe.
Ouders zijn eveneens de spiegel als het gaat om huishoudelijk werk. Van Putten vond in haar onderzoek dat mannen een grotere bijdrage leveren in het huishouden, naarmate ze hun vaders dat ook zagen doen. Dat geldt voor zowel de dagelijkse routine (koken en schoonmaken) als voor andere klussen (tuin, vervoer, administratie).
De zorg voor kinderen is volgens haar een hoofdstuk apart. Onder meer omdat de rol van vaders is veranderd en ouders in het algemeen meer tijd zijn gaan besteden aan hun kinderen, is er niet direct een relatie te leggen met de generatie vaders daarvoor.
De socioloog deed nog een andere ontdekking over arbeid en zorg. Nederland hoeft niet te vrezen dat de praktische hulp van kinderen aan hun bejaarde ouders wegvalt, nu zoveel meer vrouwen zijn gaan werken. De bereidheid om ouders bij te staan, is groot en niet afhankelijk van het aantal uren dat dochters en zonen van middelbare leeftijd werken. Tegelijkertijd blijken grootouders een belangrijke steunpilaar te zijn voor moeders met jonge kinderen. „Ze leveren hulp die van economisch belang is.” Vooral als dochters huishoudelijke taken uit handen worden genomen, blijken ze meer uren (een toename van twaalf procent op een gemiddelde werkweek) te maken in hun baan. „Het doet je goed die wisselwerking en solidariteit binnen families te zien, van oud met jong en andersom. Maar het baart ook zorgen. Als er blijkbaar grootouders voor het huishouden nodig zijn, roept dat de vraag op over andere mogelijkheden om deze klussen uit te besteden.”
Van Putten pleit daarom voor huishoudelijke hulp van ’grootouderlijk kaliber’ voor alle ouders van jonge kinderen, door bijvoorbeeld de wittewerkstersregeling in ere te herstellen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.