De Kamer kan het koningschap niet moderniseren. Dat kan Willem-Alexander dus beter zelf doen.
Aan de vooravond van de troonswisseling wordt opvallend scherpe kritiek uitgeoefend op de handel en wandel van het Koninklijk Huis, niet alleen in de media, maar ook in de Tweede Kamer, en zelfs door Oranjeverenigingen. Ik denk dat het een voorproefje is van de discussie die zal uitbreken zodra de koningin haar troonsafstand bekendmaakt, en dan niet meer over het Koninklijk Huis maar over het koningschap.
De constitutionele regeling van het koningschap dateert van de grondwetsherziening van Thorbecke in het Europese revolutiejaar 1848, toen menige troon aan het wankelen werd gebracht. Thorbecke was geen revolutionair, maar een realistische staatsrechtgeleerde. Hij wilde de parlementaire democratie, die hij invoerde, verzoenen met een constitutionele monarchie.
Een inburgerende medelander die zich onze grondwet wil eigen maken, moet wel denken dat in ons land de koning de baas is. In 55 van de 142 grondwetsartikelen komt hij ’Koning’, ’koninklijk gezag’ of ’Koninklijk Besluit’ tegen. Dit is gevolg van het feit dat Thorbecke de Koning niet alleen representatief staatshoofd maar ook regeringshoofd heeft gemaakt – naast de premier als regeringleider. De grondwet zegt: ’De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers’ ? de Koning staat voorop. Het Statuut van het Ko-ninkrijk is nog explicieter. Daar heet het: ’De Koning voert de regering van het Koninkrijk.’ Ons staatsbestel loopt dus over twee sporen, dat van de parlementaire monarchie en dat van de constitutionele monarchie. Om de voorkomen dat de staatstrein zou ontsporen heeft Thorbecke een wissel ingebouwd: ’De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.’ Deze wissel functioneert zolang de koning zich buiten de politiek houdt. Maar Beatrix zegt op haar website: ’Als lid van de regering is de koningin nauw betrokken bij de politiek.’ De website vult dat nader in met: ’Zij overlegt met de minister-president en spreekt regelmatig met de ministers en staatssecretarissen’; ’zij ondertekent alle wetten en Koninklijke besluiten’; ’zij benoemt (in)formateurs van nieuwe kabinetten’. Of zij bij dit alles politieke invloed uitoefent gaat schuil achter het-geheim-van-het-paleis.
Van tweeën één: ofwel de Koning oefent geen enkele politieke invloed uit, maar dan vormt hij als regeringshoofd een dood gewicht, dat de besluitvorming belast, en is hij met de huidige bestaffing van enkele honderden functionarissen nogal kostbaar. Of de Koning oefent (achter de schermen) wel politieke invloed uit, maar dan staat dat op gespannen voet met onze parlementaire democratie, waarin over politieke invloed politieke verantwoordelijkheid moet worden afgelegd. Ter wille van de zuiverheid van onze parlementaire democratie is het gewenst dat de Koning buiten de regering staat – zoals al meermalen, zowel in de literatuur als in het parlement, is bepleit.
Het formeel vastleggen dat de Koning geen lid meer is van de regering vereist een grondwetswijziging. Afgezien van het probleem dat wijziging van onze ’rigid constitution’ een mijl op zeven is, is de uitkomst ongewis. Zodra het koningschap ter discussie komt tekenen zich drie kampen af: dat van republikeinen, dat van voorstanders van een ceremonieel koningschap en dat van hen die het willen laten zoals het is. Doordat de republikeinen en de voorstanders van een ceremonieel koningschap niet de voor een grondwets-herziening vereiste tweederde meerderheid zullen behalen, blijft het bij het oude.
De enige mogelijkheid om de impasse te doorbreken is, denk ik, een initiatief van de aanstaande koning. Grondwettelijk is hij geenszins verplicht wekelijks met de premier te overleggen, en nog minder om periodiek bewindslieden examen af te nemen. Hij kan een fraai stempel laten ontwerpen om wetten en KB’s te ondertekenen, en daarmee meteen duidelijk maken dat zijn handtekening slechts een formaliteit is. Hij kan zijn rol bij kabinetsformaties overdragen aan de voorzitter van de Tweede Kamer – zoals in Zweden de voorzitter van de Rikstag de centrale figuur is bij kabinetsformaties. Als dit enkele jaren praktijk is zal het niet moeilijk zijn deze grondwettelijk vast te leggen.
Er blijft dan voor de Koning nog steeds de taak om als staatshoofd ons land te vertegenwoordigen en om, zo mogelijk nog belangrijker, samen met zijn gade het Oranjegevoel uit te dragen. Het is het Oranjegevoel dat in hoge mate onze nationale identiteit bepaalt. De Nederlander is immers veeleer orangist dan monarchist. Een gelijdelijk terugtreden als regeringshoofd biedt Willem-Alexander voordelen. Hij wordt ontslagen van de weinig inspirerende opgave om zich, zoals zijn moeder doet, dagelijks door staatsstukken te worstelen, op de inhoud waarvan hij geen invloed mag willen uitoefenen. Een belangrijkere overweging is waarschijnlijk voor hem dat hij als functionerend regeringshoofd prestigieuze functies als het adviseurschap van de VN zal moeten opgeven – wat waarschijnlijk ook geldt voor Máxima als echtgenote van een regeringshoofd.
De nieuwe koning kan meteen bij zijn aantreden een signaal afgeven. Op dat moment moet de aanhef van de wetten worden gewijzigd. Deze luidt nu nog: ’Wij Beatrix, bij de gratie Gods koningin der Nederlanden’ ? waarbij we mogen aannemen dat de christelijke God is bedoeld. Men kan zich nauwelijks voorstellen dat een koning van deze tijd in een areligieuze en multi-culturele samenleving als Nederland is, zich zal willen laten bestempelen als ’Wij, Willem-Alexander bij de gratie Gods Koning der Nederlanden’. Door er van af te zien laat hij blijken dat hij een andere opvatting heeft van het koningschap dan zijn moeder.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.