Herta Müller, geboren in Roemenië in 1953, is al meer dan twintig jaar een vaste waarde in de Duitse literatuur. In eigenzinnig, precies en concreet proza schrijft ze boek na boek over de intieme gevolgen van geweld en onderdrukking. Gisteren won zij de Nobelprijs voor de literatuur.
Het houdt nooit op. Voor Herta Müller is haar ervaring met een dictatuur alles bepalend. Niet alleen voor haar kijk op de wereld, die ze met groot wantrouwen gadeslaat, altijd op haar hoede voor chicanes, bedreigingen, tegenwerking en regelrechte obstructie. Maar ook voor haar literaire werk, waarin ze telkens weer onderzoekt hoe het mensen vergaat die onder vaak gruwelijk repressieve omstandigheden iets van het leven moeten zien te maken.
Daar komt bij dat ze onder een dictatuur in een minderheid leefde, een minderheid die extra in de gaten werd gehouden, daarom voortdurend onder spanning stond en zich van de weeromstuit vastklampte aan stokoude gewoonten en tradities, hoe overleefd die ook waren. Herta Müller heeft de eerste 35 jaar van haar leven geleerd de mensen om haar heen óf als tegenstanders, óf als medeslachtoffers te zien.
Müllers dictatuur is de Roemeense van Ceausescu, die met zijn geheime dienst, de Securitate, een heel volk in een verstikkende wurggreep hield. Müllers minderheid is de Duitse. Preciezer: de Zwaabse, een bevolkingsgroep die al sinds drie eeuwen in het zuidwestelijk deel van Roemenië leeft. In hun tradities en met hun taal is ze opgegroeid. Hun wereld en de wereld die hen omgaf, leverde haar de stof voor haar eerste tot en met haar laatste roman.
In haar eerste roman, ’Niederungen’ (’Laagvlakte’), schildert ze een onbarmhartig portret van zo’n Zwaabs dorp in de Banaat, de Roemeense laagvlakte rond de Donau. Het zou haar eigen dorp kunnen zijn, Nitkzydorf, niet ver van Timisoara. Het zou haar eigen moeder kunnen zijn die ze in het titelverhaal beschrijft, een harteloze vrouw in een liefdeloos huwelijk met een man die haar slaat. Ze zou zelf het geslagen kind kunnen zijn, dat zich op de wc op het binnenhof terugtrekt, omdat ze alleen daar haar tranen de vrije loop kan laten.
Müller ging in Timisoara studeren, Duitse en Roemeense letterkunde. Na haar studie moest ze, zoals gebruikelijk in een communistische heilstaat, in de fabriek gaan werken. Ze moest daar technische handleidingen voor machines vertalen. Ze zat op een druk kantoor, waar onophoudelijk rekenmachines ratelden en mensen in- en uitliepen. In dat lawaai schreef ze haar eerste roman. Waar anders? In vrije tijd was in de plan-economie niet voorzien.
De roman mocht in Roemenië alleen in ingekorte versie verschijnen. Maar Müller vond er ook een Duitse uitgever voor. In het land van haar moedertaal gold ze meteen als een ontdekking. Haar koele proza, bestaande uit korte zinnen met louter concrete beschrijvingen, brachten de beklemmende sfeer van het Banaatse dorp glashelder tot uitdrukking, vonden de critici. Vanaf dat moment had Müller nog maar één doel: zo snel mogelijk haar roman achterna reizen naar Duitsland.
De voeten die dat allemaal in de aarde heeft, de beledigingen en vernederingen die iemand moet doorstaan die van Ceausescu’s leger van bureaucratische pestkoppen een uitreisvisum moet zien los te krijgen, heeft Müller een en andermaal in ziedend proza beschreven. In die beschrijvingen is door de jaren heen geen greintje mildheid geslopen. Deze zomer in het weekblad Die Zeit schreef ze er weer met dezelfde woede over als tien jaar geleden in Trouw:
„Bij veel verhoren door de geheime dienst kwam het staatsvijandige karakter van mijn teksten slechts zijdelings aan de orde. Om mijn zinnen niet eindeloos tegen het licht te hoeven houden, bedacht de dienst misdaden waarvoor geen bewijs nodig was: contact met buitenlandse studenten, prostitutie dus. Ik zou met een dozijn buitenlandse mannen in bed zijn gedoken en daarvoor cosmetica en panty’s hebben gekregen. Ik kende er niet één. ’Hoeveel kilometer Arabische pik heb je al naar binnen gewerkt?’ Het was geen vraag, ik had maar te zwijgen, werd niet geacht een antwoord te geven. Mijn maag draaide om.”
In 1987 lukte het haar eindelijk om met haar man, collega-schrijver Richard Wagner, het zo begeerde uitreisvisum te bemachtigen. Beiden leven nu in Berlijn. Gescheiden. Misschien omdat zo veel bitterheid, achterdocht en misantropie in één huis echt te veel van het kwade is. Wagner legde zijn ervaringen met de vlucht uit Roemenië vast in de bekroonde roman ’Habseligkeiten’ uit 2006 en maakt tegenwoordig vooral naam als tegendraadse, oer-conservatieve brompot.
Müller produceerde in Duitsland het ene boek na het andere, soms wel twee per jaar. Boeken waarvan er ook veel in het Nederlands werden vertaald, getooid met lichtvoetig aandoende titels (’De mens is een grote fazant’, ’Reizigster op één been’, ’Hartedier’), maar waarachter steevast een deprimerende, door achterlijkheid en dictatuur getekende geschiedenis schuilging, hoe poëtisch ook verteld.
„Poëzie is namelijk niet iets aangenaams,” legde ze ooit in een interview uit. „Poëzie is niet iets waar je een goed gevoel aan overhoudt. Hoe bedreigender en verontrustender de werkelijkheid is, hoe meer dat karakter door poëzie wordt versterkt.” „Maar poëzie is toch ook móói,” stribbelde de interviewer tegen. „Maar mooi is geen categorie van het aangename. Mooi is een verlegenheidswoord, dat je gebruikt als iets je heeft overtuigd.”
Precies zó mooi is Müllers laatste roman, ’Atemschaukel’, die zojuist is verschenen en de Duitse critici tot de hoogste lof heeft verleid. Het boek geldt als de grootste kanshebber voor de belangrijkste prijs van het jaar, de Buchpreis van de Frankfurter Buchmesse. Het is wederom Müllers toverachtige taal die overtuigt, een taal waarin het allergruwelijkste, nee, niet mooi wordt, maar nóg gruwelijker, voelbaar gruwelijker.
’Atemschaukel’, letterlijk: ’Ademschommel’, gaat over honger, honger die maar niet ophoudt, die iemand jarenlang begeleidt, die hij dagelijks in- en uitademt. Het is de honger die de Roemenen van Duitse afkomst leden gedurende hun Russische gevangenschap. Na de oorlog werden alle Duitse Roemenen van tussen de 17 en 45 jaar door het Rode Leger voor dwangarbeid naar Rusland versleept.
Met één van de slachtoffers, de dichter Oskar Pastior, onderhield Müller in Berlijn jarenlang een innig contact. Ze besloten samen een boek over zijn vijf jaar in de Russische kampen te schrijven. Maar Pastior overleed in 2006.
Müller liet het thema even rusten. Maar nu ligt er dan ’Atemschaukel’, misschien wel Müllers beste boek. Het kamp als overtreffende trap van het achterlijke dorp en van de dictatoriale staat. Het kan altijd nog erger.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.